De eeuwige Bredanaar

Ja, het is zijn stad. Alles bij elkaar heeft hij wellicht twee jaar elders gewoond. Slechts heel even had hij ooit met de gedachte gespeeld haar te verlaten. Dat hij na de studie zou gaan resideren ergens in de Randstad waar zijn werkveld misschien meer mogelijkheden zou bieden. Maar hij had er al snel in het geheel niets voor gevoeld, om zelfs voor een kansrijke carrière te gaan verkassen. Nee, het bourgondische, de sociale makkelijke contacten, hoe oppervlakkig soms ook, deed hem doen plakken aan het eigene, het alom bekende. Het opbouwen van een geheel nieuw leven in ook een geheel andere omgeving had voor hem altijd iets onnatuurlijks gehad.

Dat hij in zijn leven soms moet reizen en vaak moet rijden, daar heeft hij weinig problemen mee. Een aantal dagen buiten zijn stad vertoeven, bevalt hem prima, dat is een uitje, een welkom intermezzo in het leven binnen de natuurlijke habitat. Een min of meer zakelijk wijnreisje naar de Nahe in Duitsland of naar het Spaanse La Mancha, hij geniet ervan. Reizen is dan ook geen enkel probleem. Ook van vakanties, het liefst niet langer dan een week aaneen, kan hij ten volste genieten. In alle gevallen gaat het er om dat hij na een bepaalde, overzichtelijke tijd weer kan aanrijden richting zijn stenen liefde, ook al heeft die hem per saldo weinig opgeleverd in al die jaren. Wanneer dan op zo’n tien kilometer die gotische toren, onderdeel van de mooiste kerk van het land, zichtbaar wordt, gaat er een jubelgevoel door hem heen. Trots op zijn stad, fier op het gegeven dat hij geboren en getogen is in het centrum van Europa, zoals hij wel eens gekscherend zegt tegen wie het wel of niet wil horen. Immers, zo luidt zijn theorie hieromtrent, zijn stad is slechts een uurtje verwijderd van Amsterdam, een half uur van Rotterdam, drie kwartier van Utrecht, dertig minuten van Antwerpen en een uur van Brussel. Parijs? Binnen drieënhalf uur is de lichtstad met de auto bereikbaar. In een kleine zeven uur kan je ook in Berlijn zijn zonder gebruik te maken van een vliegtuig. In ogenschouw nemend dat Rotterdam de poort van Europa vormt, ligt Breda dus in het hart van het continent Europa, van West-Europa dan toch. Dat West-Europa zich ook uitstrekt richting het zuiden tot en met Andalusië en de Straat van Gibraltar vindt hij minder relevant.

Maar zijn stad is ook een dorp. En ook om die reden houdt hij van haar. Het is ‘ons kent ons’ in de binnenstad. Hij is inmiddels de vijftig gepasseerd, heeft vanaf zijn zestiende op regelmatige basis de bruine kroegen opgezocht, heeft zelf een horecazaak gehad en is voor velen die zich net als hem graag ophouden in de plaatselijke lokalen geen vreemde. In vergelijking met Rotterdam waar hij in alle uithoeken wel is geweest voor het verzorgen van wijnproeverijen bij de mensen thuis, is zijn stad voor hem een oase van overzichtelijkheid. Niet te groot, dorps zoals gezegd, maar wel voorzien van de faciliteiten die een grotere gemeenschap kan bieden. Het kost hem slechts vijf minuten om vanuit zijn huurappartementje het grote marktplein te voet te bereiken. Hij kan dan kiezen uit de aller kortste route die hem door zijn eigen afzichtelijke wijkje vol schraal aandoende appartementengebouwen leidt richting wat hij noemt het ‘stinkstraatje’. Daar waar de zogenaamde feestcafés en slechte eetgelegenheden zich bevinden, puur gericht op de jongste uitgaansgerechtigde jeugd, waar het altijd riekt naar pis, stront, opengescheurde vuilniszakken en overgeefsel van de nacht die voorbij is gegaan.

Hij geeft doorgaans logischerwijs de voorkeur aan de omweg. Via de straat die vanuit de oorsprong het dorp Princenhage verbond met de stad, kiest hij dan zijn weg. Die smalle straat, meanderend vanaf de stadsingels, laat het werkelijke leven zien. De seksshops, de eettentjes, die als paddenstoelen opduiken maar zelden langer dan een aantal jaren overleven, hier en daar een echt innoverende kleine ondernemer die wanneer hij groter wordt en het zich kan permitteren zal verkassen, een dozijn aan kapsalons die volgens velen dienstdoen als witwasserij – en dan praten we niet over waterstofperoxide of coupe soleil. Maar ook enkele entrepreneurs die onder dezelfde naam al meer dan een eeuw een begrip zijn in de mooiste, in ieder geval de leukste, stad van het land, en voor altijd verbonden blijven aan de straat.

“Breda, de klokken luiden, gij zijt en blijft de Parel van ’t Zuiden”, zo luidt een regel uit het refrein van het (onofficieel) volkslied van de stad Breda. “Te midden van de paarse heide, waar samen komen Mark en Aa,” zo begint het. Tja, voor de niet-Bredanaars onder de lezers: leer het kennen, ga de sleutel van de stad ontdekken, in de omgeving, het Markdal of het Mastbos, de polders rondom Prinsenbeek. Maar vooral in het historische centrum. Grote Kerk, Spanjaardsgat, Kasteel van Breda, Begijnhof, ga zo verder. En daarna een prachtig glas bier van eigen brouwsel of een heel mooi glas wijn. De kans is aanwezig dat jij hem tegenkomt. 

Gepubliceerd door robbyiswritingforever

Schrijver, wijnadviseur, observator van alles, sportliefhebber...

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag