De Boom

Hij staat er nog, dat scharminkel. Nog een week of wat en dan bellen de kinderen in de buurt aan of ze hem mee kunnen nemen. Met graagte wordt dan het armetierige geval vanaf het balkon naar beneden gemikt. Blije gezichtjes binden hem met een touw dan vast aan enkele eerder buitgemaakte trofeeën der troosteloosheid. De jeugd zal de sliert van onmiskenbare vergankelijkheid achter zich aan slepen door de straten richting een ceremoniële crematie. Een vreugdevuur waarin de demonen, die meer dan een maand lang huiskamers hebben geteisterd, eindelijk definitief het loodje leggen.

Nu staat het er nog. Ooit min of meer groen, de takken schraal en armetierig, hangend alsof een collectieve depressiviteit van het ergste soort ook bezit heeft genomen van het plantenrijk. De enkele naald die nog demonstratief aan een twijg is blijven hangen, is vaal en doet denken aan die ene bewoner van een te saneren achterstandswijk die weigert te verkassen terwijl de bulldozers de straat al zijn ingereden. De piek had zijn rechtopstaande positie al na een enkele dag opgegeven en wijst in horizontale richting, in mijn opinie niet eens naar het oosten. Resten van scherven vormen op de vloer nog glinsteringen van hoop, de ballen die wel zijn blijven hangen voelen zich zichtbaar eenzaam en meerderen van hen hebben schade opgelopen maar hebben de volledige teloorgang getrotseerd bij gebrek aan beter.

Maar kijk het liefst niet onder het wanstaltige gevaarte dat ooit op een feestelijke boom had moeten lijken. Want daar onder dat kale skelet van dood organisch materiaal bevindt zich wel het meest armetierigs wat je uit een opberghok kan opduiken. Wat ooit een kerststal moest voorstellen, ook toen was enig verbeeldingsvermogen al noodzakelijk om het te onderscheiden van een door verstandelijk gehandicapten bij houtbewerking in elkaar geflanst en logischerwijs volledig mislukt vogelhuisje, is nu helemaal gereduceerd tot een kleine verzameling van wankele triplex plankjes die moeizaam tegen elkaar leunen. Een ferme voetstap doet het hele geval weer in elkaar storten en het kost telkens weer minimaal een kwartier om de delen zo tegen elkaar te plaatsen dat het geheel weer voor even blijft staan. Nee, dan de inhoud van die zogenaamde stal. Wonderbaarlijk is wel dat het kindeke de jaren voor het grootste deel heeft overleefd, al mist hij zowel een armpje en een been. De kribbe is ooit zoekgeraakt, dus ligt dat arme kind kaal in het stro, dat jaar na jaar wordt ververst uit een baal die overgebleven is uit de tijd dat de familie nog eigenaar was van een huisdier in de vorm van een inmiddels overleden gehavend konijn met hazenlip. Maria was er nooit geweest; Jozef staat er als alleenstaande vader ook dit jaar weer alleen voor. Slechts een enkele wijze heeft de weg naar het westen gevonden en al de dieren zoals beschreven blinken uit door afwezigheid. Hun plaatsen zijn hier en daar aangevuld met plastic dieren uit een of ander setje van de kinderen, waarbij er volledig voorbijgegaan is aan verhoudingen. Het roze varkentje is groter dan die ene wijze. Maar dat vinden de kinderen niet erg. Nee, de kinderen vinden het niet erg. Maar ja, die kinderen, die bloedjes, hebben er ook geen erg in dat het kerstfeest van oorsprong niet gaat om wie zich na twee weken tijd kan uitroepen tot de meest misselijke draak van het gezelschap.

Ondertussen getuigt een donkere vlek op de verder nog witte muur van het bezoek van een dronken oom die in zijn motorische gestoordheid het glas niet in bedwang kon houden. De vettige, ranzige lucht van de gourmet – o zo gezellig – knijpt nog steeds de adem dicht en de vetvlekken tegen de keukenwand, producten van een niet heel kundig persoon die het frituur-gedeelte voor zijn rekening nam, zullen er volgend jaar nog steeds zitten. Wat een feest!              

Gepubliceerd door robbyiswritingforever

Schrijver, wijnadviseur, observator van alles, sportliefhebber...

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag