In de week voorafgaand aan de periode dat HET VIRUS alles plat lijkt te gaan leggen, was Eus in topvorm. Őzcan Akyol was uitgenodigd om een essay te schrijven over het boekenweekthema ´Rebellen en dwarsdenkers´. En dat had hij dus ook gedaan. In zijn essay ‘Generaal zonder leger’ denkt hij dwars en rebelleert hij ietwat. Dat was hem immers gevraagd. Hij verdedigde zijn standpunt met verve bij DWDD, tot genoegen van ´vriend´ Matthijs.
Eus vindt dat de Nederlandse literaire wereld vervuild is geraakt door elitaire hoogmoedswaanzin, een ons-kent-ons-cultuur die zich afspeelt binnen het wereldje van de, hoe kan het ook anders, Amsterdamse grachtengordel, en een dédain richting schrijvers die wel verkopen. Even over het laatste: het is namelijk ‘vies’ om boeken te verkopen aan een groot publiek. Met andere woorden, alleen wanneer jouw boeken niet aan de man kunnen worden gebracht aan meer dan een paar honderd mannen en vrouwen, kan je een succes worden in literair Nederland. Dus bevuilde Eus zijn eigen nest volgens een deel van de literaire wereld.
In Veenendaal was een boekhandelaar ook minder verheugd, samen met hem een aantal collega´s. Deze beste man was verbolgen over het gegeven dat Eus in zijn essay refereert aan een gesprek met hem waarin de boekverkoper had toegegeven liever iets hoogstaands ´literairs´ te verkopen aan een klant dan bijvoorbeeld een werk van Saskia Noort. Want, zo schetst Eus het, lezers van Noort worden gezien als ‘niet-lezers’ door mensen als de Veluwse zelfbenoemde purist.
Het begrip ‘niet-lezer’ doet mij eigenlijk alleen denken aan mijn eigen zoon, negentien jaar oud, die ik nimmer heb kunnen betrappen op (of verleiden tot) het lezen van een boek. Zoals mijn zoon, ik hou van hem desondanks tot in de eeuwigheid, zijn er velen. Ik zou al blij zijn wanneer hij en zijn vrienden iets zouden lezen. Al was het maar regelmatig de krant, welke dan ook. Maar ‘niet-lezer’ staat tegenwoordig blijkbaar voor alle mensen die wél lezen, maar niet de góede boeken. Dus, welwillende lezers, herstel: niet-lezers, van Agatha Christie en Saskia Noort, stop er maar mee. Jullie zullen er nooit bij horen, bij de echte lezers. Bij die van Mulisch om in eigen huis te blijven, bij die van Brecht of Eco. Hemingway is waarschijnlijk al iets te gemakkelijk om je tot het keurkorps der lezers te kunnen rekenen.
Ook ik was niet echt onder de indruk van het literaire niveau van Eus’ debuutroman ‘Eus’, en las vervolgens ook nooit meer een boek van hem, af en toe nog wel eens zijn columns. Maar ‘Eus’ was wel lekker ‘weglezen’, zo had ik gevonden, en ik vond het knap dat iemand met zijn achtergrond zichzelf zo had opgewerkt. Niet in de laatste plaats omdat hij blijkbaar een snaar had weten te raken bij een bepaald publiek van, wat veel later bleek, niet-lezers. Eus werd een begrip, een commercieel succes. En tja, daar is natuurlijk alles mis mee.
Jan Wolkers, tot aan zijn dood door literaire recensenten verguisd vanwege zijn vulgariteit en platvloersheid maar na zijn sterven postuum op schouders gedragen, draait zich voor de zoveelste maal om in zijn graf. Wolkers had schijt, het liefst in de meest plastische vorm zoals hij alleen het kon beschrijven, aan wat de ander dacht. Tenminste, dat denken wij nu. In een tijd dat het eigenlijk nog veel viezer was om sowieso geld te verdienen, liep Jan binnen. Harry, jouw meesterwerken ten spijt, jouw arrogantie en denigrerend gedrag naar anderen, het heeft me echt tegengestaan. En, ik beken dat ik veel liever kijk naar het kekke baardje van Eus dan dat ik ooit deed naar de morsige stropdassen en (gemaakte) vale jasjes van jou.