Achter het raam van de oude straat zit een oude dame. Ze kijkt door haar venster schuin de weg af en ziet niemand. Niemand in de stad. Aan de overkant ziet ze anders dan anders wel veel beweging. Daar, achter de voordeur, waar normaal gesproken een jong stel slechts laat in de avond en af en toe in weekenden tekens van leven geeft, ziet ze het jonge paartje nu dagelijks, de gehele dag. Ze zitten aan tafel aan een beeldscherm, lopen rond in hun joggingoutfits en openen tegen het einde van de middag een fles wijn, daarna nog eentje. Aan de soms woeste gebaren maakt de dame op dat het niet altijd pais en vree is daar aan de overkant.
Een deur verder, naast het stelletje, woont een alleenstaande man, zo weet ze. In de vier jaar dat ze hier woont, heeft ze hem pas een keer of vijf gezien. Nu, in de donkere dagen die eigenlijk veel licht hadden moeten geven met de aankondiging van de lente, is ook hij er iedere dag. Ook hij werkt wat, telefoneert veel, maar loopt toch bovenal wat hopeloos op en neer in zijn leefruimte. In de avond opent hij zijn voordeur om zijn maaltijd in ontvangst te nemen, aan zijn rommelige eettafel eet hij uit kunststof bakjes en papieren zakken.
Hij loopt naar het raam en ziet de bejaarde vrouw de lege wereld observeren. Wat aarzelend zwaait hij en beseft eindelijk hoe het leven er voor sommige medemensen altijd uitziet. En zij, zij zwaait terug en weet zich niet meer volledig alleen. Niet meer volledig alleen in haar eenzaamheid.