DE MAN VAN DE AKKER

Hij ruikt naar aarde, naar natuur, naar de omgeving waar hij zich het best thuis heeft gevoeld in zijn leven. Zijn handen, rouwranden van nagels incluis, zijn de knoestige getuigen van het wroeten in de grond. Niemand weet beter wat hard werken is dan Cees. Ooit verkocht zijn vader landerijen aan de Gemeente Breda, Breda verhuurde uiteindelijk de grond aan Baronie, waarna in 1960 Sportpark de Blauwe Kei verrees. Cees zou ook land erven, verbouwt tot op heden zijn eigen groenten op dit land en verkoopt deze ook nog steeds. Ver voordat de zon opkomt, gaat dagelijks de wekker. Steeds moeilijker wordt het voor hem daaraan gehoor te geven. Maar wat moet hij dan, hij weet niet beter. Werken, werken en werken. Werken op zijn akker. Fysieke arbeid die hem altijd zoveel voldoening heeft gegeven. Dus gaat hij door, ondanks een ziekte die lange tijd fataal leek. Maar ja, “Cees van Steen, Groente en Fruit”, zo staat er nog altijd in de groeven van zijn gezicht te lezen. Kerkhofweg, Ginneken, Breda. Natuurlijk is Cees ouder geworden, kan hij niet alles meer zoals hij het altijd gedaan heeft. Maar hij heeft altijd gezegd tot zijn laatste adem door te werken. Nu had hij zich bijkans doodgewerkt. Want hij werd ziek, heel ziek.

Cees bleek een engeltje op zijn schouder te hebben. Op wonderbaarlijke wijze werd hij namelijk weer gezond verklaard. Dus geeft hij nog steeds zijn premies aan de selectie, altijd cash in het handje. En rondjes bier, bij de vleet. Hij blijft net als al die voorgaande zestig jaar een bloedfanatieke supporter van groen en wit; van geel en zwart moet hij al een leven lang maar weinig hebben. Niet altijd de gemakkelijkste fan, want wanneer het even tegenzit dan is de spits van de gemiste kans, of de trainer met de verkeerde wissel, de absolute boeman. Ach, het hoort erbij. Cees van Steen, nooit zal een vergelijkbare Baronie-supporter nog geboren worden.

Ik herinner me een bijzondere persoonlijke ervaring met Cees nog heel goed. We waren zoals zo vaak op een late zondagavond op stap, ook Cees was daarbij. In het Ginneken natuurlijk. Baronie-speler Jack van Miert had een café gekocht en daar waren we op die zondagen regelmatig. Jack toonde altijd veel coulance, maar sprak mij op een gegeven moment toch aan op mijn nog openstaande rekening. Ik was student, dacht de openstaande schuld een volgende maand wel te kunnen betalen, waarmee Jack ook wel akkoord kon gaan. Maar Cees had het korte gesprek opgevangen en drukte mij, niet zichtbaar voor anderen, een briefje van honderd gulden in de hand. “Tegen niemand zeggen, maar betaal wel gelijk je rekening”, waren zijn woorden. Aanvankelijk weigerde ik het biljet aan te nemen, maar daarvan kon geen sprake zijn. “Als je het maar tegen niemand zegt”, zei hij nogmaals. Ik was een Baronie-speler en voor een Baronie-speler deed en doet hij alles.

Zijn glazen oog, zijn echte verloor hij ooit eens bij een val in zijn groentewinkel, glinstert in de zomerzon wanneer hij lacht. Ik begroet Cees bij de aanvang van weer een nieuw voetbalseizoen, zoals ik dat al jaren doe. “We zijn er weer,” zeg ik. “Jazeker, Robert (uitgesproken op z´n Frans), wat dacht jij dan?”. En het is goed. Ik ben nu eenenvijftig en heb die honderd gulden nooit terugbetaald. In de wetenschap dat hij dat toch nooit zou hebben geaccepteerd.  

Gepubliceerd door robbyiswritingforever

Schrijver, wijnadviseur, observator van alles, sportliefhebber...

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag