De paden op, de lanen in…
En zo ging het verder:
Vooruit met flinke pas,
Met stralend oog en blijde zin,
En goedgevulde tas.
De zonne lacht ons vrolijk toe,
Ons groet der vog’len zang,
En wij, wij worden vast niet moe,
Al wand’len w’uren lang,
Tra ta ta ta bom, bom, tra ta ta ta bom bom,
Al wand’len w’uren lang.
Het betreft een kinderversje uit 1957, waarvan ik alleen de eerste regel kende. Voor mijn ouders en zeker ook een generatie na hen moet de gehele tekst nog steeds gesneden koek zijn.
1957. Nederland is nog steeds in de ban van de naweeën van de Tweede Wereldoorlog en van de zogeheten wederopbouw. Een wat achtergebleven land, zou ik hier willen zeggen. Niet alleen vanwege het alles ontwrichtende dat een wereldoorlog en een bezetting nu eenmaal met zich meebrengt, maar ook zeker gezien de lange geschiedenis voorafgaand aan WO II. Driehonderd jaar eerder was Nederland, ofwel ‘De Republiek’, inderdaad een wereldmacht geweest. Maar zeker de gemiddelde Nederlander vergeet wel eens dat het na het zogenaamd Rampjaar 1672 – “het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos” – nooit meer echt goed gekomen is met een Nederlandse hegemonie in de wereld. Iets meer dan een eeuw na 1672 begon de Industriële Revolutie in Engeland, andere gebieden en landen in Europa volgden. Ook een nieuwgeboren natie als de Verenigde Staten van Amerika (1776) liet niet lang op zich wachten op dit gebied. Nederland bleef ver achter, werd en bleef een voornamelijk agrarische samenleving met een weinig inspirerende Calvinistische inslag. Na 1672 was de Nederlandse Gouden Eeuw zo goed als voorbij en Nederland zou nooit meer een cruciale rol op het wereldtoneel spelen. Toen Balkenende zich raaskallend afvroeg, niet zo gek lang geleden, “waar die VOC-mentaliteit toch gebleven was”, was hij vergeten, of besefte hij simpelweg niet, dat de toonaangevendheid van de Hollanders maar betrekkelijk kort geduurd heeft.
Weer terug naar 1957. En dat liedje. Ik dacht eraan, tenminste aan die eerste regel, en het ontroerde me enigszins toen ik van de week weer eens langs de Mark fietste richting België, om prompt stilstand te houden bij die ouderwetse grenspaal. Een tiental meters verder was er iets van een blokkade opgeworpen om ook hier het grensverkeer te beperken. Op straffe van een boete van 400 Euro leek het me niet verstandig verder te gaan, mede omdat een dergelijk bedrag een aanzienlijk gat zou slaan in de TOZO-regeling van circa 1.050 Euro waarop ik als momenteel werkloze ZZP’er recht heb, dus ik draaide om.
Het ontroerde me omdat ik op deze zonnige middag ook de vogels hoorde fluiten. Het vee in de weiden zag grazen en een enkele ooievaar meende te ontwaren. De vele mensen op dat smalle pad langs de rivier, wandelend, fietsend en pauze nemend op een bankje. Zij genoten, net als ik, van het mooie weer, de natuur. Net als toen, in 1957. Toen de gemiddelde mens geen middelen had voor uitspattingen in café, restaurant of theater, maar gelukkig kon zijn met de lente en de zon, met een dagje erop uit in een mooie omgeving.
We gaan weer de paden op, de lanen in… genieten van het kleine. En dát, op zich, is natuurlijk helemaal niet zo heel slecht.
NOOIT MEER ‘OVER DE KOPPEN KUNNEN LOPEN’
We zijn lang niet meer zo opportunistisch als we geweest zijn, zo bedacht ik me. Heel even, een week of wat vanaf het moment dat het Corona-virus ook in Nederland een serieus verhaal werd, werd er laconiek gesproken over wat nu de meest maatschappij-ontwrichtende crisis sinds de Tweede Wereldoorlog genoemd mag worden. Een paar dwazen daargelaten die nog steeds in de weekenden onder het mom van ‘Schijt aan Corona’ feestjes en barbecues organiseren, is het Nederlandse volk uitermate gedisciplineerd. In het afgelopen Paasweekeinde werd zelfs de familie massaal genegeerd; dat wil zeggen: ook nu bleef men veelal thuis en werden familiebezoeken naar de lange termijn verschoven. Voor sommigen natuurlijk op zich een feest omdat ze gevrijwaard bleven van het verplichte nummer richting schoonmoeder. (Video-)bellen kon en kan natuurlijk nog steeds. Nederland accepteert in grote getalen en dat valt me oprecht mee.
Landen als Spanje en Italië zitten zoals het tegenwoordig heet letterlijk “op slot”. België was al vanaf het begin wat strenger dan Nederland in haar maatregelen – opvallend: ondanks dat worden er meer Corona-doden geteld bij onze zuiderburen dan bij ons, terwijl er toch maar 11,5 miljoen Belgen rondlopen tegenover ruim 17 miljoen Nederlanders (!) en Nederland veel dichtbevolkter is dan België.
Nee, dan Zweden, in vele opzichten toch een soort van modelstaat waar het gaat om evenwichtigheid, tolerantie en vrijheid. Maar misschien juist daarom doet de regering daar simpelweg een beroep op de “vrijwillige bijdrage van het volk”. Er wordt dan wel geadviseerd zoveel mogelijk thuis te blijven, alle winkels, scholen en andere instellingen waar veel mensen bijeenkomen blijven vooralsnog gewoon open. Daarbij, in Stockholm, Göteborg, Malmö, overal in Zweden, blijken de cafés en restaurants nog op volle toeren te draaien. Dit terwijl er inmiddels bijna 800 Corona-slachtoffers zijn gevallen in het Scandinavische land, meer dan in de buurlanden Noorwegen en Finland bij elkaar.
Wij kennen dus een ‘intelligente’ lock-down. En, als gezegd, Nederlanders geven er over het algemeen gehoor aan. Wanneer ik op mijn damesfiets rondpeddel door mijn geliefde Bredase binnenstad om even een frisse neus te halen dan zie ik slechts enkele wandelaars, alleen of met zijn tweeën, nooit grote groepen die er een feestje van willen maken in de zon.
Maar toch houd ik mijn hart vast. Al een week lang lijken de gepubliceerde cijfers een positieve trend weer te geven. Bijna iedere dag minder Corona-doden, minder IC-bedden bezet in vergelijking met een dag eerder. Er wordt hier en daar al voorzichtig gesproken over een mogelijke versoepeling van de maatregelen vanaf eind april. En dat vind ik een beetje eng. Zeker omdat in deze gesprekken de economische kaart wordt gespeeld. Maar ik ben niet angstig vanwege het weer op gang komen van een bepaalde bedrijvigheid dadelijk, daar waar het met in achtneming van richtlijnen prima mogelijk is. Het zou voor mij persoonlijk een godsgeschenk zijn wanneer ik weer enigszins aan de slag zou kunnen.
Nee, ik ben bang voor hetgeen waarop ik me zelf het meest verheug. Wanneer de horeca, waarschijnlijk met afstand de hardst getroffen branche in onze economie, dadelijk weer tekenen van leven gaat vertonen, breekt mijns inziens de hel los. Hoe ga je dat organiseren? Okay, een terras openen met de voorwaarde dat gasten een bepaalde afstand bewaren zal nog wel lukken. In bepaalde restaurants is ook nog wel iets te organiseren in die richting wanneer er wat tafels worden weggehaald en/of verschoven. Maar binnen de cafés, aan de toog, hoe hou je daar afstand? En wanneer de mogelijkheden er wel enigszins zijn, wie handhaaft? Ja, natuurlijk de kastelein, die ook de ongetwijfeld astronomische boetes zal moeten betalen wanneer gasten zich niet houden aan de richtlijnen. Net als bij de invoering van het rookverbod zal niet de overtreder maar de uitbater van het etablissement moeten boeten voor het wangedrag van zijn gast.
NOOIT MEER ‘OVER DE KOPPEN KUNNEN LOPEN’
We zijn lang niet meer zo opportunistisch als we geweest zijn, zo bedacht ik me. Heel even, een week of wat vanaf het moment dat het Corona-virus ook in Nederland een serieus verhaal werd, werd er laconiek gesproken over wat nu de meest maatschappij-ontwrichtende crisis sinds de Tweede Wereldoorlog genoemd mag worden. Een paar dwazen daargelaten die nog steeds in de weekenden onder het mom van ‘Schijt aan Corona’ feestjes en barbecues organiseren, is het Nederlandse volk uitermate gedisciplineerd. In het afgelopen Paasweekeinde werd zelfs de familie massaal genegeerd; dat wil zeggen: ook nu bleef men veelal thuis en werden familiebezoeken naar de lange termijn verschoven. Voor sommigen natuurlijk op zich een feest omdat ze gevrijwaard bleven van het verplichte nummer richting schoonmoeder. (Video-)bellen kon en kan natuurlijk nog steeds. Nederland accepteert in grote getalen en dat valt me oprecht mee.
Landen als Spanje en Italië zitten zoals het tegenwoordig heet letterlijk “op slot”. België was al vanaf het begin wat strenger dan Nederland in haar maatregelen – opvallend: ondanks dat worden er meer Corona-doden geteld bij onze zuiderburen dan bij ons, terwijl er toch maar 11,5 miljoen Belgen rondlopen tegenover ruim 17 miljoen Nederlanders (!) en Nederland veel dichtbevolkter is dan België.
Nee, dan Zweden, in vele opzichten toch een soort van modelstaat waar het gaat om evenwichtigheid, tolerantie en vrijheid. Maar misschien juist daarom doet de regering daar simpelweg een beroep op de “vrijwillige bijdrage van het volk”. Er wordt dan wel geadviseerd zoveel mogelijk thuis te blijven, alle winkels, scholen en andere instellingen waar veel mensen bijeenkomen blijven vooralsnog gewoon open. Daarbij, in Stockholm, Göteborg, Malmö, overal in Zweden, blijken de cafés en restaurants nog op volle toeren te draaien. Dit terwijl er inmiddels bijna 800 Corona-slachtoffers zijn gevallen in het Scandinavische land, meer dan in de buurlanden Noorwegen en Finland bij elkaar.
Wij kennen dus een ‘intelligente’ lock-down. En, als gezegd, Nederlanders geven er over het algemeen gehoor aan. Wanneer ik op mijn damesfiets rondpeddel door mijn geliefde Bredase binnenstad om even een frisse neus te halen dan zie ik slechts enkele wandelaars, alleen of met zijn tweeën, nooit grote groepen die er een feestje van willen maken in de zon.
Maar toch houd ik mijn hart vast. Al een week lang lijken de gepubliceerde cijfers een positieve trend weer te geven. Bijna iedere dag minder Corona-doden, minder IC-bedden bezet in vergelijking met een dag eerder. Er wordt hier en daar al voorzichtig gesproken over een mogelijke versoepeling van de maatregelen vanaf eind april. En dat vind ik een beetje eng. Zeker omdat in deze gesprekken de economische kaart wordt gespeeld. Maar ik ben niet angstig vanwege het weer op gang komen van een bepaalde bedrijvigheid dadelijk, daar waar het met in achtneming van richtlijnen prima mogelijk is. Het zou voor mij persoonlijk een godsgeschenk zijn wanneer ik weer enigszins aan de slag zou kunnen.
Nee, ik ben bang voor hetgeen waarop ik me zelf het meest verheug. Wanneer de horeca, waarschijnlijk met afstand de hardst getroffen branche in onze economie, dadelijk weer tekenen van leven gaat vertonen, breekt mijns inziens de hel los. Hoe ga je dat organiseren? Okay, een terras openen met de voorwaarde dat gasten een bepaalde afstand bewaren zal nog wel lukken. In bepaalde restaurants is ook nog wel iets te organiseren in die richting wanneer er wat tafels worden weggehaald en/of verschoven. Maar binnen de cafés, aan de toog, hoe hou je daar afstand? En wanneer de mogelijkheden er wel enigszins zijn, wie handhaaft? Ja, natuurlijk de kastelein, die ook de ongetwijfeld astronomische boetes zal moeten betalen wanneer gasten zich niet houden aan de richtlijnen. Net als bij de invoering van het rookverbod zal niet de overtreder maar de uitbater van het etablissement moeten boeten voor het wangedrag van zijn gast.
NOOIT MEER ‘OVER DE KOPPEN KUNNEN LOPEN’
We zijn lang niet meer zo opportunistisch als we geweest zijn, zo bedacht ik me. Heel even, een week of wat vanaf het moment dat het Corona-virus ook in Nederland een serieus verhaal werd, werd er laconiek gesproken over wat nu de meest maatschappij-ontwrichtende crisis sinds de Tweede Wereldoorlog genoemd mag worden. Een paar dwazen daargelaten die nog steeds in de weekenden onder het mom van ‘Schijt aan Corona’ feestjes en barbecues organiseren, is het Nederlandse volk uitermate gedisciplineerd. In het afgelopen Paasweekeinde werd zelfs de familie massaal genegeerd; dat wil zeggen: ook nu bleef men veelal thuis en werden familiebezoeken naar de lange termijn verschoven. Voor sommigen natuurlijk op zich een feest omdat ze gevrijwaard bleven van het verplichte nummer richting schoonmoeder. (Video-)bellen kon en kan natuurlijk nog steeds. Nederland accepteert in grote getalen en dat valt me oprecht mee.
Landen als Spanje en Italië zitten zoals het tegenwoordig heet letterlijk “op slot”. België was al vanaf het begin wat strenger dan Nederland in haar maatregelen – opvallend: ondanks dat worden er meer Corona-doden geteld bij onze zuiderburen dan bij ons, terwijl er toch maar 11,5 miljoen Belgen rondlopen tegenover ruim 17 miljoen Nederlanders (!) en Nederland veel dichtbevolkter is dan België.
Nee, dan Zweden, in vele opzichten toch een soort van modelstaat waar het gaat om evenwichtigheid, tolerantie en vrijheid. Maar misschien juist daarom doet de regering daar simpelweg een beroep op de “vrijwillige bijdrage van het volk”. Er wordt dan wel geadviseerd zoveel mogelijk thuis te blijven, alle winkels, scholen en andere instellingen waar veel mensen bijeenkomen blijven vooralsnog gewoon open. Daarbij, in Stockholm, Göteborg, Malmö, overal in Zweden, blijken de cafés en restaurants nog op volle toeren te draaien. Dit terwijl er inmiddels bijna 800 Corona-slachtoffers zijn gevallen in het Scandinavische land, meer dan in de buurlanden Noorwegen en Finland bij elkaar.
Wij kennen dus een ‘intelligente’ lock-down. En, als gezegd, Nederlanders geven er over het algemeen gehoor aan. Wanneer ik op mijn damesfiets rondpeddel door mijn geliefde Bredase binnenstad om even een frisse neus te halen dan zie ik slechts enkele wandelaars, alleen of met zijn tweeën, nooit grote groepen die er een feestje van willen maken in de zon.
Maar toch houd ik mijn hart vast. Al een week lang lijken de gepubliceerde cijfers een positieve trend weer te geven. Bijna iedere dag minder Corona-doden, minder IC-bedden bezet in vergelijking met een dag eerder. Er wordt hier en daar al voorzichtig gesproken over een mogelijke versoepeling van de maatregelen vanaf eind april. En dat vind ik een beetje eng. Zeker omdat in deze gesprekken de economische kaart wordt gespeeld. Maar ik ben niet angstig vanwege het weer op gang komen van een bepaalde bedrijvigheid dadelijk, daar waar het met in achtneming van richtlijnen prima mogelijk is. Het zou voor mij persoonlijk een godsgeschenk zijn wanneer ik weer enigszins aan de slag zou kunnen.
Nee, ik ben bang voor hetgeen waarop ik me zelf het meest verheug. Wanneer de horeca, waarschijnlijk met afstand de hardst getroffen branche in onze economie, dadelijk weer tekenen van leven gaat vertonen, breekt mijns inziens de hel los. Hoe ga je dat organiseren? Okay, een terras openen met de voorwaarde dat gasten een bepaalde afstand bewaren zal nog wel lukken. In bepaalde restaurants is ook nog wel iets te organiseren in die richting wanneer er wat tafels worden weggehaald en/of verschoven. Maar binnen de cafés, aan de toog, hoe hou je daar afstand? En wanneer de mogelijkheden er wel enigszins zijn, wie handhaaft? Ja, natuurlijk de kastelein, die ook de ongetwijfeld astronomische boetes zal moeten betalen wanneer gasten zich niet houden aan de richtlijnen. Net als bij de invoering van het rookverbod zal niet de overtreder maar de uitbater van het etablissement moeten boeten voor het wangedrag van zijn gast.
De door Rutte aangekondigde 1,5 meter-samenleving zal een doodsteek zijn voor de café-branche. Dat we in de komende jaren elkaar niet meer overdreven en ongelimiteerd kunnen aflebberen in publieke lokalen, dat beseffen de meesten onder ons wel. Dat we voorlopig geen gigantische festijnen meer zullen hebben waarbij men spreekwoordelijk ‘over de hoofden kan lopen’, dat begrijpen we ook. Dus, stel de (volledige) opening van cafés uit, alleen maar vanuit gezond verstand. Dan zal een deel van de horeca inderdaad sterven, dat doet het nu overigens al, maar hoe erg dat ook is, niemand wil een nieuwe piek in daadwerkelijke doden.
LUMMELEN
Mijn beste vriend verzint zo af en toe geheel nieuwe begrippen. “Aansjemmen”, bijvoorbeeld, verzon hij al decennia geleden voor “het maar wat aanmodderen”. Ik noem dat gewoon nog “lummelen”. Afgelopen weekend kwam hij, terwijl wij redelijk volgens de richtlijnen slechts met zijn tweeën een stukje gingen fietsen, met weer wat nieuws. “Grunzelen”, was zijn woord voor het glunderen van iemand wanneer het ten koste gaat van een ander. Maar dit terzijde. Waar hij zijn woorden vandaan haalt, is ook voor mij nog steeds een raadsel, maar misschien een leuk onderwerp voor een later stukje.
Ik wil het nu hebben over “aansjemmen”, oftewel “lummelen” dus. “Lummelen” wordt voor mij, en met mij ongetwijfeld velen, het woord van 2020. Ik zou “lummelen” definiëren als “niets doen”, of “niet echt iets doen”. “Wel iets doen zonder een duidelijk doel voor ogen”, “iets maar zo en zo doen” en gewoon “luieren” of “lamzakken” dekken de lading ook aardig.
Heel veel mensen kunnen of moeten gewoon op een tamelijk normale manier doorwerken. Een deel van onze arbeidsbevolking, onze nieuwe helden, in de zorg niet in de laatste plaats, werken zich het apezuur momenteel. Dank daarvoor.
Maar ik als freelance sportschrijver en wijnadviseur die wijnproeverijen verzorgt, sta momenteel min of meer stil in mijn betaalde werkzaamheden. En ik sta hierin niet alleen. Het volledig afgelasten van alle sportevenementen, groter en kleiner, en de annuleringen van de wijnproeverijen die gepland stonden, nopen mij tot lummelen.
Dat ik een onvervalste “lummel” ben, dat zei mijn moeder veertig jaar geleden al. Dat ik me nu een professioneel mag noemen op dit specifieke vlak geeft mij maar weinig voldoening. Maar ik lummel wel voort, grote delen van de dag, die ondanks de Corona-crisis nog altijd vierentwintig uur telt. En dat is heel lang, om alleen maar te lummelen.
Dus heb ik me iets voorgenomen, eigenlijk al vanaf het moment dat wijnproeverijen niet meer als verantwoord werden ervaren (alle sportevenementen werden al eerder afgelast). En tot nu toe gaat het mij goed af, het me houden aan mijn voornemen, te weten: het doseren van het lummelen.
Ik lummel me nog steeds door de dag. Maar, met het oog op de lange tijd van onzekerheid voor ons, ben ik eigenlijk al vanaf het begin van de crisis bezig met mondjesmaat lummelen. Iedere dag doe ik in ieder geval iets nuttigs. Voor mijzelf, voor mijn vereniging of voor mijn ouders, maar nooit te veel op een dag. De zeeën van tijd die voor mij liggen, noodzaken mij ook wel om zaken luchtig en gespreid op te pakken. Laat nog iets over voor de vele dagen die nog komen, is telkens mijn gedachte. Maak je niet druk over de nog op te ruimen kamer, dat schilderijtje dat nog moet worden opgehangen, die tafel die je altijd nog wilde schilderen.
Tijd zat ligt voor ons. Om ons druk te maken over van alles ook. Wanneer er straks nog van allerlei werk is blijven liggen, hebben we er ons toch doorheen gebokst, door die crisis. Sneller dan gepland, gezien de ‘to-do-list’, die nog niet geheel afgevinkt is. Laten we, zij die daartoe genoodzaakt zijn, dus allemaal een beetje doorlummelen, gedoseerd welteverstaan, en daarvan ook gewoon eens genieten. De druk van het moeten komt straks gewoon weer van zelf.
DE WAANZIN
Zelfs in een tijd dat de grote gekken der aarde tot inkeer zijn gekomen, blijven er lieden onbegrijpelijke onzin tentoonspreiden en van anderen het onmogelijke vragen. Donald Trump, die het nog niet zo lang geleden slechts had over `The Chinese Virus´, neemt COVID-19 tegenwoordig ook serieus, nu de machtigste stad op de wereld, zíjn New York, de brandhaard vormt van de pandemie. Zelfs de op en top populist en Braziliaans president Jair Bolsonaro doet het virus niet meer af als een gewoon griepje.
In Nyon, Zwitserland, blijken er echter nog steeds bestuurders al ruim een maand onder een grote steen te hebben gelegen. Terwijl er over de hele wereld een hevige brand woedt, blijven de heren bobo’s van de UEFA vasthouden aan het kost wat kost uitspelen van de diverse nationale competities. De KNVB loopt hierin zoals vaker als een van de lelijkste kuikens blind achter moeder eend aan. Dit terwijl de toonaangevende clubs in de vaderlandse competitie erop hameren om een vette punt achter het seizoen 2019-2020 te zetten. Maar niet alleen Ajax, AZ, PSV en Feyenoord zijn deze mening toebedeeld. Ook een armlastige club als RKC Waalwijk wil nu stoppen met de competitie, zelfs als dat zou betekenen dat men hiermee definitief zou degraderen. De argumenten van deze betaald voetbalorganisaties zijn kraakhelder, ook plausibel, wellicht ook wel geboren uit eigen belang. Maar veel belangrijker: het besluit om het voetbal voor deze jaargang definitief tot stilstand te brengen om hopelijk na de zomer gewoon te beginnen aan weer een heerlijk nieuw voetbalseizoen zou een ethische lading dekken. Het is simpelweg niet kies om in Nederland, Europa of in de rest van de wereld dadelijk weer voetbal te spelen, te kijken en er oeverloos over te gaan praten op een moment dat onze wereld de meest maatschappij-ontwrichtende periode sinds de Tweede Wereldoorlog doormaakt. De Europese voetbalbond doet er nog een schepje bovenop en dreigt met uitsluiting van Europees voetbal van clubs uit landen waar het verstand regeert en de competitie zal worden beëindigd, daarmee clubs en bonden met de rug tegen de muur plaatsend.
“The games must go on”, zo sprak toenmalig IOC-voorzitter Avery Brundage nadat elf Israëliërs en een Duitse politieagent het leven lieten na een Palestijnse terroristische actie tijdens de Olympische Spelen van München in 1972. Er werd schande van gesproken, maar het geschiedde. Niet verwonderlijk was dat Brundage aftrad na München.
In het Heizelstadion van Brussel werd in 1985 gewoon een Europacupfinale tussen Juventus en Liverpool afgewerkt terwijl 39 personen omkwamen bij rellen rondom de wedstrijd. Terwijl ik dit schrijf, schaam ik me voor het feit dat ik me de details van het duel nog herinner: 1-0 voor Juventus via een penalty van Platini, na een overtreding van Grobbelaar op Boniek. Schaamteloos en schrijnend om te zien was het op de knieën juichen van de Fransman na de enige en winnende treffer; het kan niet anders dan dat ook de acteurs op het veld geweten moeten hebben van de ramp die zich had afgespeeld. Dat Platini jaren later en tot 2015 leiding zou geven aan de boevenbende van de UEFA berust op louter toeval, zullen we maar zeggen. Evenals het gegeven dat de gewezen balvirtuoos vanwege een wel zeer schimmige transactie met FIFA-opperboef Blatter uit zijn voorzittersfunctie ontheven en voor vier jaar geschorst zou worden.
Toen in 1995 tijdens de vijftiende etappe van de Tour de France Motorola-renner Fabio Casartelli in de afdaling van Col de Portet d’Aspagne dodelijk crashte, werden op de aankomstplaats sponsoren en andere genodigden of dat er niets gebeurd was zoals altijd gefêteerd in de VIP-tent, terwijl het peloton massaal huilde. “De Tour wacht op niemand”. Ik zie Hennie Kuiper, toen ploegleider van Motorola nog huilend in beeld. Ook Erik Breukink, renner van een concurrerende ploeg, kon zijn tranen begrijpelijkerwijs niet bedwingen. De sportwereld leert niet van de geschiedenis, maar wil daar enkel en alleen een belangrijk onderdeel van uit maken, zo weten we dus al lang. Geldelijke belangen overstijgen menselijkheid, steeds weer. Gezaghebbende internationale sportbonden en -officials, in samenspraak met de grote commerciële partijen, zijn allang vergeten dat sport slechts de belangrijkste BIJzaak in het leven is. Het voetbal, mondiaal gezien de grootste sport, loopt hierin helaas voorop. Daar waar overal in deze gekwetste wereld artsen, verpleegkundigen, virologen, farmaceuten, politici en burgers gebroederlijk de strijd aangaan met Corona, blijft in de sport en zeker in het voetbal de waanzin regeren.
DE MAN VAN DE AKKER
Hij ruikt naar aarde, naar natuur, naar de omgeving waar hij zich het best thuis heeft gevoeld in zijn leven. Zijn handen, rouwranden van nagels incluis, zijn de knoestige getuigen van het wroeten in de grond. Niemand weet beter wat hard werken is dan Cees. Ooit verkocht zijn vader landerijen aan de Gemeente Breda, Breda verhuurde uiteindelijk de grond aan Baronie, waarna in 1960 Sportpark de Blauwe Kei verrees. Cees zou ook land erven, verbouwt tot op heden zijn eigen groenten op dit land en verkoopt deze ook nog steeds. Ver voordat de zon opkomt, gaat dagelijks de wekker. Steeds moeilijker wordt het voor hem daaraan gehoor te geven. Maar wat moet hij dan, hij weet niet beter. Werken, werken en werken. Werken op zijn akker. Fysieke arbeid die hem altijd zoveel voldoening heeft gegeven. Dus gaat hij door, ondanks een ziekte die lange tijd fataal leek. Maar ja, “Cees van Steen, Groente en Fruit”, zo staat er nog altijd in de groeven van zijn gezicht te lezen. Kerkhofweg, Ginneken, Breda. Natuurlijk is Cees ouder geworden, kan hij niet alles meer zoals hij het altijd gedaan heeft. Maar hij heeft altijd gezegd tot zijn laatste adem door te werken. Nu had hij zich bijkans doodgewerkt. Want hij werd ziek, heel ziek.
Cees bleek een engeltje op zijn schouder te hebben. Op wonderbaarlijke wijze werd hij namelijk weer gezond verklaard. Dus geeft hij nog steeds zijn premies aan de selectie, altijd cash in het handje. En rondjes bier, bij de vleet. Hij blijft net als al die voorgaande zestig jaar een bloedfanatieke supporter van groen en wit; van geel en zwart moet hij al een leven lang maar weinig hebben. Niet altijd de gemakkelijkste fan, want wanneer het even tegenzit dan is de spits van de gemiste kans, of de trainer met de verkeerde wissel, de absolute boeman. Ach, het hoort erbij. Cees van Steen, nooit zal een vergelijkbare Baronie-supporter nog geboren worden.
Ik herinner me een bijzondere persoonlijke ervaring met Cees nog heel goed. We waren zoals zo vaak op een late zondagavond op stap, ook Cees was daarbij. In het Ginneken natuurlijk. Baronie-speler Jack van Miert had een café gekocht en daar waren we op die zondagen regelmatig. Jack toonde altijd veel coulance, maar sprak mij op een gegeven moment toch aan op mijn nog openstaande rekening. Ik was student, dacht de openstaande schuld een volgende maand wel te kunnen betalen, waarmee Jack ook wel akkoord kon gaan. Maar Cees had het korte gesprek opgevangen en drukte mij, niet zichtbaar voor anderen, een briefje van honderd gulden in de hand. “Tegen niemand zeggen, maar betaal wel gelijk je rekening”, waren zijn woorden. Aanvankelijk weigerde ik het biljet aan te nemen, maar daarvan kon geen sprake zijn. “Als je het maar tegen niemand zegt”, zei hij nogmaals. Ik was een Baronie-speler en voor een Baronie-speler deed en doet hij alles.
Zijn glazen oog, zijn echte verloor hij ooit eens bij een val in zijn groentewinkel, glinstert in de zomerzon wanneer hij lacht. Ik begroet Cees bij de aanvang van weer een nieuw voetbalseizoen, zoals ik dat al jaren doe. “We zijn er weer,” zeg ik. “Jazeker, Robert (uitgesproken op z´n Frans), wat dacht jij dan?”. En het is goed. Ik ben nu eenenvijftig en heb die honderd gulden nooit terugbetaald. In de wetenschap dat hij dat toch nooit zou hebben geaccepteerd.
DE TOP-11 TER VERZACHTING
Lieve wijngenieters,
We zitten momenteel grotendeels massaal binnen. Dat is nu eenmaal zo en dat zal ook nog wel even duren. Maar naast het gevoel van onzekerheid en een zekere vorm van misère, biedt de huidige situatie, meer dan anders, hoe noodgedwongen ook, meer tijd om thuis te genieten. En dat moeten we met z’n allen ook gewoon proberen te doen.
De juiste muziek op de achtergrond, misschien een Netflixje, wel of niet in gezelschap van een lieve partner… Hoe dan ook, in een fijne huiselijke sfeer past bij uitstek een mooie wijn. Ik heb voor jullie in deze toch barre dagen daarom een lijst van ‘troostwijnen’ samengesteld, die ik nu tegen de voor ons scherpst mogelijke prijzen aanbied. Deze ‘Top-11 ter Verzachting’, bestaande uit vijf witte wijnen, een rosé en vijf rode wijnen, zijn per doos a zes flessen te bestellen.
Even tussendoor iets, heel kort, over ons. Wij zijn Bleuze Wines, een Belgische importeur van voornamelijk Europese kwaliteitswijnen, afkomstig van ambachtelijke, doorgaans wat kleinschaliger opererende wijnboeren. Met name door wijnproeverijen te verzorgen bij particulieren thuis promoten en verkopen wij als agenten van Bleuze Wines normaal gesproken onze wijnen. Nu is dat eventjes moeilijk… Daarom, de DE TOP 11 TER VERZACHTING….
De transportkosten zal ik voor mijn rekening nemen. Bestellen kan heel simpel: geef je naam, volledige afleveradres en telefoonnummer aan mij door via e-mail, Whatsapp of gewoon telefonisch en ik zorg voor de levering. Betaling geschiedt pas bij de levering van de wijnen.
DE TOP-11 TER VERZACHTING
WIT
- 2018 Nussdorfer Herrenberg. Duitsland, Pfalz. 100% Muller-Thurgau. Een droge witte wijn, zeer toegankelijk, fris zuurtje. Normaal: 13,95, nu 11,95 p/fles. Artikelnummer P512434.
- 2019 Vallee de la Puerta. Argentinië. 100% Torrontes. Droog, maar uitgesproken fruitig. Zeker bijzonder. Normaal: 12,75, nu 9,30. Artikelnummer 800500.
- 2018 Finca Antigua. Spanje, La Mancha, Cuenca. 100% Viura. Gemaakt volgens de methode Sur Lie (Sobre Lias), daardoor complex, kruidig zeer zeker, maar ook perfect in balans. Normaal: 16,60, nu 12,10. Artikelnummer 200501.
- 2018 Pouilly Fume, Domaine Bardin. Frankrijk, Loire. 100% Sauvignon Blanc. Pouilly Fume is de topwijn uit de Loire. Wereldbefaamd. Droog, met een complexiteit die geschikt is voor de ware liefhebber. Normaal: 26,40, nu 19,25. Artikelnummer 321110.
- 2017 Saint-Veran Michel Chavet. Frankrijk, Bourgogne. 100% Chardonnay. Typische Bourgondische Chardonnay, houtgelagerd, maar veel plezieriger geprijsd dan bijvoorbeeld broertje Pouilly Fuisse. Normaal: 23,05, nu 16,80. Artikel 313200.
ROSE
6.2017 Serpolet rosé. Frankrijk, Provence. Blend van Syrah, Grenache en Mourvedre. Een topper qua complexiteit uit het gebied van de rosé bij uitstek! Anders dan vele rosé-wijnen, een serieus glas wijn. Superfruitig en complex. Normaal: 16,30, nu 12,80. Artikel 327110.
ROOD
7.2018 Malicieux. Frankrijk, Languedoc, Saint Chinian. Blend van Carignan, Cinsault en Cabernet Sauvignon. Zeer toegankelijke rode wijn. Makkelijk en soepel. Normaal: 10,15, nu 9,00. Artikel 301100.
8.2018 Vallee de la Puerta. Argentinië. Blend van Malbec en Bonarda. Het zware, pittige van de Malbec mooi gecombineerd met de zachtere Bonarda-druif. Erg toegankelijke rode wijn, maar wel met enige pit. Nu: 12,75 (11+1= je betaalt slechts 11 van de 12 flessen). Artikel 800502.
9.2017 Chene Noir, Frankrijk, Cotes du Rhone Villages. Blend van Syrah, Grenache, Mourvedre. Topwijn. Zwaar, maar wel soepel. Een uitstekende dinerwijn voor de geoefende rode wijndrinker. Normaal: 15,00, nu 13,75. Artikel 328120.
10.2016 Finca Antigua. Spanje, La Mancha, Cuenca. 100% Syrah. Nooit in de appellation-wijnen van Frankrijk aanwezig, een 100% Syrah. Door de hoogvlakte van Cuenca is dit een stevige wijn, maar met een zachte wat romige afdronk. Een absolute topper. Normaal: 17,65, nu 12,90. Artikel 200503.
11.2013/2014 Chateau Franc la Rouchonne, Frankrijk, Bordeaux, Saint Emilion. Natuurlijk een topwijn, de Saint Emilion, uit het oostelijk deel van de Bordeaux, gekenmerkt door meer Merlot in de blend. Daardoor veel zachter dan Medocs en Haut-Medocs. Normaal: 25,05, nu 18,30. Artikel 312425.
Ik hoor graag van jullie wanneer jullie iets moois willen drinken. Salute!
Vriendelijke groet, blijf gezond en let op jezelf en elkaar,
Robert Daniels, Bleuze Wines, 06-51427567, robertdaniels@hotmail.nl
ACHTER HET VENSTER
Achter het raam van de oude straat zit een oude dame. Ze kijkt door haar venster schuin de weg af en ziet niemand. Niemand in de stad. Aan de overkant ziet ze anders dan anders wel veel beweging. Daar, achter de voordeur, waar normaal gesproken een jong stel slechts laat in de avond en af en toe in weekenden tekens van leven geeft, ziet ze het jonge paartje nu dagelijks, de gehele dag. Ze zitten aan tafel aan een beeldscherm, lopen rond in hun joggingoutfits en openen tegen het einde van de middag een fles wijn, daarna nog eentje. Aan de soms woeste gebaren maakt de dame op dat het niet altijd pais en vree is daar aan de overkant.
Een deur verder, naast het stelletje, woont een alleenstaande man, zo weet ze. In de vier jaar dat ze hier woont, heeft ze hem pas een keer of vijf gezien. Nu, in de donkere dagen die eigenlijk veel licht hadden moeten geven met de aankondiging van de lente, is ook hij er iedere dag. Ook hij werkt wat, telefoneert veel, maar loopt toch bovenal wat hopeloos op en neer in zijn leefruimte. In de avond opent hij zijn voordeur om zijn maaltijd in ontvangst te nemen, aan zijn rommelige eettafel eet hij uit kunststof bakjes en papieren zakken.
Hij loopt naar het raam en ziet de bejaarde vrouw de lege wereld observeren. Wat aarzelend zwaait hij en beseft eindelijk hoe het leven er voor sommige medemensen altijd uitziet. En zij, zij zwaait terug en weet zich niet meer volledig alleen. Niet meer volledig alleen in haar eenzaamheid.
Racisme en Discriminatie
Geplaatst doorrobbyiswritingforeverGeplaatst inGeen categorieBewerk Racisme en Discriminatie
Tijdens een bijeenkomst van het Overlegorgaan Bredase Amateurvoetbalverenigingen (OBA) was het onderwerp een tijdje geleden Racisme en Discriminatie. Zowel de KNVB als de Stichting RADAR waren door de OBA uitgenodigd om het gesprek hierin te leiden. Directe aanleiding voor de KNVB om (weer eens) een campagne van start te laten gaan in de strijd tegen racisme binnen de voetbalwereld, de bond noemt dit een ‘Aanvalsplan’, dateert van november 2019 toen Excelsior-speler Mendes Moreira racistisch bejegend werd door een deel van het Bossche publiek tijdens FC Den Bosch-Excelsior. De meeting betekende een thuiswedstrijd voor ondergetekende want de goed bezochte bijeenkomst vond plaats in het sponsorhome van ons eigen Baronie, een club die vroeger zeer zeker nogal ‘wit’ was, maar sinds decennia minstens zo zeker multi-multi-cultureel van aard is. Anno 2020 vertegenwoordigt Baronie wellicht wel een twintigtal nationaliteiten en/of etnische herkomsten.
Wat allereerst opviel was dat de vertegenwoordigingen van de bezoekende verenigingen op deze avond bijna allemaal zelf ‘wit’ waren. Misschien is hierin ook nog een slag te maken. Een van de drie Groen Wit-vertegenwoordigers, ik ben zijn naam vergeten, was licht getint en vermoedelijk van Marokkaanse afkomst en Hassan Lammou was er. De overige gasten waren blanke Nederlanders; er waren een paar (witte) vrouwen, maar het gezelschap bestond toch veelal uit blanke voetbalmannen en waarschijnlijk weerspiegelde de aanwezige vertegenwoordiging de werkelijkheid van een gemiddelde voetbalclubclubleiding prima, de boost die het vrouwenvoetbal ondergaan heeft en een handvol emancipatiegolven ten spijt.
Even terugkomend op de naam Lammou, voor wie hem niet kent. Lammou was in 2006 een hele jonge oprichter van FC Barca, dat een aantal jaren geleden overging in SC Hoge Vugt. Vorig jaar beleefde de zaterdagclub van Lammou de teloorgang en werd uit de competitie gezet door de KNVB, na een zoveelste (geweld)incident tijdens een wedstrijd. De jonge Marokkaanse Nederlander of Nederlandse Marokkaan had jarenlang geleden zijn nek uitgestoken, gaf in het als ‘moeilijk’ bekendstaande Breda-Noord een podium aan de jeugd, hield de jongeren van de straat en leerde hen samen te werken, zich samen met anderen ergens voor in te zetten. Helaas gebeurde er nogal eens wat op de velden bij Barca en op de gronden elders waar Barca en Hoge Vugt hun wedstrijden speelden. Soms was het simpelweg het temperament van de jongens, soms ook de felle bejegeningen in het veld en van buiten de lijnen die de zaak deed exploreren. Onomstotelijk staat wel vast voor de goede volgers dat er altijd wel, op zijn minst, een bepaalde mate van onderling onbegrip bestond wanneer de ploegen van FC Barca en Hoge Vugt tegenstanders troffen die voornamelijk uit autochtone Nederlanders bestonden. Hoe het ook zij, de droom van Lammou spatte uiteen en nu voetbalt een groot deel van het oorspronkelijke Barca, waaronder Lammou zelf, in het zaterdagelftal van PCP.
Terug naar het onderwerp van deze avond, R & D. Een van de zinnigste vragen van een van de aanwezigen was of de KNVB zich naast een stad als Breda, waar men toch wel wat meer bekend is met de multiculturele samenleving en daar derhalve ook wat beter mee omgaat dan in kleinere gemeenten en dorpen, ook richt op ‘buurtschappen’ als Sprundel, Waspik en Schijf. Ja, want juist daar ligt de pijn, voornamelijk dan. Kleine, naar binnen gekeerde samenlevinkjes, waarin men alles het liefst zo houdt als het honderd jaar geleden was (maar dan wel met alle luxe van nu natuurlijk) en het minder op heeft met vreemdelingen, eigenlijk met alles wat vreemd is “wat de boer niet kent…” Natuurlijk generaliseer ik hier op verschrikkelijke wijze en bied mijn oprechte excuses hiervoor ook aan, aan hen die zich totaal niet aangesproken voelen en zich ook niet aangesproken hoeven voelen. Maar ik wil hier een punt maken, al gaat dit ongetwijfeld ten koste van de integriteit van vele dorpsbewoners in het West-Brabantse. Feiten en geluiden liegen niet. Juist in de West-Brabantse dorpen ondervinden voetbalploegen met een multicultureel karakter antipathie, en dat is eufemistisch uitgedrukt. De eerder aangehaalde vragensteller, mijn zege heeft hij, herinnerde er ons nog maar eens aan: in peilingen en bij verkiezingen halen de extreemrechtse partijen in dergelijke West-Brabantse dorpen exorbitant hoge percentages van de stemmen.
O, wat hebben wij het eenvoudig. Wij als bestuurders van Baronie. Voor de duidelijkheid: op dit vlak dan toch. Wij zijn zielsgelukkig met onze sterspeler van Afghaanse afkomst, met onze Nederlands-Marokkaanse goalgetter en onze rots in de branding met Ghanese roots. Met al die Nederlandse en niet helemaal of helemaal niet Nederlandse jongetjes en meisjes binnen de jeugdopleiding die tezamen onze club zo mooi maken. Zo kleurrijk ook. Ikzelf prijs me rijk met de gedachte dat bij ons iedere vorm van racisme en/of discriminatie uit den boze is, dat uitingen hiervan op welke manier ook nooit getolereerd zullen worden en wanneer lieden, jong of oud, zich schuldig zouden maken aan of R dan wel D, zij de toegang tot ons sportpark ontzegd zouden worden. Misschien wel voor altijd.
Ik kan het misschien makkelijk zeggen. Omdat ik me in de rug gesteund weet door alle collega’s in het bestuur waarvan ik deel uitmaak. Maar ik zal het sterker vertellen: wanneer iemand van deze collega’s de hierboven door mij geschreven alinea niet onderschrijft, neem ik zonder blikken of blozen afstand van het bestuurslidmaatschap van een dan in mijn ogen bedenkelijke club Baronie.
Dit delen:
TAALHOEREN EN ECHTE SCHRIJVERS
In de week voorafgaand aan de periode dat HET VIRUS alles plat lijkt te gaan leggen, was Eus in topvorm. Őzcan Akyol was uitgenodigd om een essay te schrijven over het boekenweekthema ´Rebellen en dwarsdenkers´. En dat had hij dus ook gedaan. In zijn essay ‘Generaal zonder leger’ denkt hij dwars en rebelleert hij ietwat. Dat was hem immers gevraagd. Hij verdedigde zijn standpunt met verve bij DWDD, tot genoegen van ´vriend´ Matthijs.
Eus vindt dat de Nederlandse literaire wereld vervuild is geraakt door elitaire hoogmoedswaanzin, een ons-kent-ons-cultuur die zich afspeelt binnen het wereldje van de, hoe kan het ook anders, Amsterdamse grachtengordel, en een dédain richting schrijvers die wel verkopen. Even over het laatste: het is namelijk ‘vies’ om boeken te verkopen aan een groot publiek. Met andere woorden, alleen wanneer jouw boeken niet aan de man kunnen worden gebracht aan meer dan een paar honderd mannen en vrouwen, kan je een succes worden in literair Nederland. Dus bevuilde Eus zijn eigen nest volgens een deel van de literaire wereld.
In Veenendaal was een boekhandelaar ook minder verheugd, samen met hem een aantal collega´s. Deze beste man was verbolgen over het gegeven dat Eus in zijn essay refereert aan een gesprek met hem waarin de boekverkoper had toegegeven liever iets hoogstaands ´literairs´ te verkopen aan een klant dan bijvoorbeeld een werk van Saskia Noort. Want, zo schetst Eus het, lezers van Noort worden gezien als ‘niet-lezers’ door mensen als de Veluwse zelfbenoemde purist.
Het begrip ‘niet-lezer’ doet mij eigenlijk alleen denken aan mijn eigen zoon, negentien jaar oud, die ik nimmer heb kunnen betrappen op (of verleiden tot) het lezen van een boek. Zoals mijn zoon, ik hou van hem desondanks tot in de eeuwigheid, zijn er velen. Ik zou al blij zijn wanneer hij en zijn vrienden iets zouden lezen. Al was het maar regelmatig de krant, welke dan ook. Maar ‘niet-lezer’ staat tegenwoordig blijkbaar voor alle mensen die wél lezen, maar niet de góede boeken. Dus, welwillende lezers, herstel: niet-lezers, van Agatha Christie en Saskia Noort, stop er maar mee. Jullie zullen er nooit bij horen, bij de echte lezers. Bij die van Mulisch om in eigen huis te blijven, bij die van Brecht of Eco. Hemingway is waarschijnlijk al iets te gemakkelijk om je tot het keurkorps der lezers te kunnen rekenen.
Ook ik was niet echt onder de indruk van het literaire niveau van Eus’ debuutroman ‘Eus’, en las vervolgens ook nooit meer een boek van hem, af en toe nog wel eens zijn columns. Maar ‘Eus’ was wel lekker ‘weglezen’, zo had ik gevonden, en ik vond het knap dat iemand met zijn achtergrond zichzelf zo had opgewerkt. Niet in de laatste plaats omdat hij blijkbaar een snaar had weten te raken bij een bepaald publiek van, wat veel later bleek, niet-lezers. Eus werd een begrip, een commercieel succes. En tja, daar is natuurlijk alles mis mee.
Jan Wolkers, tot aan zijn dood door literaire recensenten verguisd vanwege zijn vulgariteit en platvloersheid maar na zijn sterven postuum op schouders gedragen, draait zich voor de zoveelste maal om in zijn graf. Wolkers had schijt, het liefst in de meest plastische vorm zoals hij alleen het kon beschrijven, aan wat de ander dacht. Tenminste, dat denken wij nu. In een tijd dat het eigenlijk nog veel viezer was om sowieso geld te verdienen, liep Jan binnen. Harry, jouw meesterwerken ten spijt, jouw arrogantie en denigrerend gedrag naar anderen, het heeft me echt tegengestaan. En, ik beken dat ik veel liever kijk naar het kekke baardje van Eus dan dat ik ooit deed naar de morsige stropdassen en (gemaakte) vale jasjes van jou.
Racisme en Discriminatie
Tijdens een bijeenkomst van het Overlegorgaan Bredase Amateurvoetbalverenigingen (OBA) was het onderwerp afgelopen maandagavond Racisme en Discriminatie. Zowel de KNVB als de Stichting RADAR waren door de OBA uitgenodigd om het gesprek hierin te leiden. Directe aanleiding voor de KNVB om (weer eens) een campagne van start te laten gaan in de strijd tegen racisme binnen de voetbalwereld, de bond noemt dit een ‘Aanvalsplan’, dateert van november 2019 toen Excelsior-speler Mendes Moreira racistisch bejegend werd door een deel van het Bossche publiek tijdens FC Den Bosch-Excelsior. De meeting betekende een thuiswedstrijd voor ondergetekende want de goed bezochte bijeenkomst vond plaats in het sponsorhome van ons eigen Baronie, een club die vroeger zeer zeker nogal ‘wit’ was, maar sinds decennia minstens zo zeker multi-multi-cultureel van aard is. Anno 2020 vertegenwoordigt Baronie wellicht wel een twintigtal nationaliteiten en/of etnische herkomsten.
Wat allereerst opviel was dat de vertegenwoordigingen van de bezoekende verenigingen op deze avond bijna allemaal zelf ‘wit’ waren. Misschien is hierin ook nog een slag te maken. Een van de drie Groen Wit-vertegenwoordigers, ik ben zijn naam vergeten, was licht getint en vermoedelijk van Marokkaanse afkomst en Hassan Lammou was er. De overige gasten waren blanke Nederlanders; er waren een paar (witte) vrouwen, maar het gezelschap bestond toch veelal uit blanke voetbalmannen en waarschijnlijk weerspiegelde de aanwezige vertegenwoordiging de werkelijkheid van een gemiddelde voetbalclubclubleiding prima, de boost die het vrouwenvoetbal ondergaan heeft en een handvol emancipatiegolven ten spijt.
Even terugkomend op de naam Lammou, voor wie hem niet kent. Lammou was in 2006 een hele jonge oprichter van FC Barca, dat een aantal jaren geleden overging in SC Hoge Vugt. Vorig jaar beleefde de zaterdagclub van Lammou de teloorgang en werd uit de competitie gezet door de KNVB, na een zoveelste (geweld)incident tijdens een wedstrijd. De jonge Marokkaanse Nederlander of Nederlandse Marokkaan had jarenlang geleden zijn nek uitgestoken, gaf in het als ‘moeilijk’ bekendstaande Breda-Noord een podium aan de jeugd, hield de jongeren van de straat en leerde hen samen te werken, zich samen met anderen ergens voor in te zetten. Helaas gebeurde er nogal eens wat op de velden bij Barca en op de gronden elders waar Barca en Hoge Vugt hun wedstrijden speelden. Soms was het simpelweg het temperament van de jongens, soms ook de felle bejegeningen in het veld en van buiten de lijnen die de zaak deed exploreren. Onomstotelijk staat wel vast voor de goede volgers dat er altijd wel, op zijn minst, een bepaalde mate van onderling onbegrip bestond wanneer de ploegen van FC Barca en Hoge Vugt tegenstanders troffen die voornamelijk uit autochtone Nederlanders bestonden. Hoe het ook zij, de droom van Lammou spatte uiteen en nu voetbalt een groot deel van het oorspronkelijke Barca, waaronder Lammou zelf, in het zaterdagelftal van PCP.
Terug naar het onderwerp van deze avond, R & D. Een van de zinnigste vragen van een van de aanwezigen was of de KNVB zich naast een stad als Breda, waar men toch wel wat meer bekend is met de multiculturele samenleving en daar derhalve ook wat beter mee omgaat dan in kleinere gemeenten en dorpen, ook richt op ‘buurtschappen’ als Sprundel, Waspik en Schijf. Ja, want juist daar ligt de pijn, voornamelijk dan. Kleine, naar binnen gekeerde samenlevinkjes, waarin men alles het liefst zo houdt als het honderd jaar geleden was (maar dan wel met alle luxe van nu natuurlijk) en het minder op heeft met vreemdelingen, eigenlijk met alles wat vreemd is “wat de boer niet kent…” Natuurlijk generaliseer ik hier op verschrikkelijke wijze en bied mijn oprechte excuses hiervoor ook aan, aan hen die zich totaal niet aangesproken voelen en zich ook niet aangesproken hoeven voelen. Maar ik wil hier een punt maken, al gaat dit ongetwijfeld ten koste van de integriteit van vele dorpsbewoners in het West-Brabantse. Feiten en geluiden liegen niet. Juist in de West-Brabantse dorpen ondervinden voetbalploegen met een multicultureel karakter antipathie, en dat is eufemistisch uitgedrukt. De eerder aangehaalde vragensteller, mijn zege heeft hij, herinnerde er ons nog maar eens aan: in peilingen en bij verkiezingen halen de extreemrechtse partijen in dergelijke West-Brabantse dorpen exorbitant hoge percentages van de stemmen.
O, wat hebben wij het eenvoudig. Wij als bestuurders van Baronie. Voor de duidelijkheid: op dit vlak dan toch. Wij zijn zielsgelukkig met onze sterspeler van Afghaanse afkomst, met onze Nederlands-Marokkaanse goalgetter en onze rots in de branding met Ghanese roots. Met al die Nederlandse en niet helemaal of helemaal niet Nederlandse jongetjes en meisjes binnen de jeugdopleiding die tezamen onze club zo mooi maken. Zo kleurrijk ook. Ikzelf prijs me rijk met de gedachte dat bij ons iedere vorm van racisme en/of discriminatie uit den boze is, dat uitingen hiervan op welke manier ook nooit getolereerd zullen worden en wanneer lieden, jong of oud, zich schuldig zouden maken aan of R dan wel D, zij de toegang tot ons sportpark ontzegd zouden worden. Misschien wel voor altijd.
Ik kan het misschien makkelijk zeggen. Omdat ik me in de rug gesteund weet door alle collega’s in het bestuur waarvan ik deel uitmaak. Maar ik zal het sterker vertellen: wanneer iemand van deze collega’s de hierboven door mij geschreven alinea niet onderschrijft, neem ik zonder blikken of blozen afstand van het bestuurslidmaatschap van een dan in mijn ogen bedenkelijke club Baronie.