Het Fenomeen

Natuurlijk ben ik niet objectief. Maar, ik moet wel toegeven, in de eerste wedstrijden van dit lopende seizoen, beginnend in de voorbereidende oefenduels, speelde hij ook niet goed, het fenomeen. Criticasters naast mij op de tribune wilde ik de mond snoeren wanneer zij hun klaagzang weer begonnen met geluiden als ´hij raakt vandaag weer geen pepernoot´, ´hij speelt als een krant´ en ´hij leeft er niet voor´. Maar ik hield mijn mond maar, zoveel als mogelijk, wetende dat klasse altijd boven komt drijven. Het liefst wilde ik op die momenten heel ver weg gaan zitten van hen die het vertrouwen in het fenomeen verloren leken te hebben.

En het duurde ook even, lang bleef zijn prestatiecurve een rare op en neer gaande lijn vertonen, vijfjes met zevens afwisselend, maar na zo´n tien duels in de competitie kwam hij echt ´los´. Op een tamelijk vroege zondagochtend haalde ik hem op bij de brug. Hemelsbreed zijn onze woningen een paar honderd meter van elkaar verwijderd in het centrum van Breda en het is voor mij geen enkele moeite even te stoppen bij de brug, meer het ´bruggetje´, dat Haagdijk verbindt met de Tolbrugstraat. Hij vond het wel prettig om zich niet door de kou richting Blauwe Kei te moeten begeven op deze eerste dag van december. Na een paar minuten zag ik zijn sjokkende gestalte, voetbaltas op de rug, in zijn hand natuurlijk een voortdurend actief mobieltje, naderbij komen. Zoals altijd lachte hij en was de begroeting hartelijk. “Hoe was je weekend?”, vroeg hij. “Redelijk rustig”, antwoordde ik. Ikzelf was meer benieuwd naar zijn reilen en zeilen, zijn jeugdige liefde voor het uitgaansleven kennend. “Gisteren heel rustig aan gedaan. Maar vrijdag was wel heftig”. Ik ging er verder niet op in.

Een lange reis richting Lichtenvoorde in de Achterhoek volgde. Het ontvangende Longa ’30 bleek al snel een maatje te klein en zonder heel veel moeite werd een 0-3 zege binnen gehengeld. Daar waar het fenomeen altijd negentig minuten vol gas gaf, in topvorm of niet, zag ik hem deze middag doseren. Hij liep niet meer op elke bal en was een kwartier voor tijd helemaal uitgeblust. De statistieken na afloop logen er echter niet om. Hij had tweemaal gescoord en had de assist bij de derde goal voor zijn rekening genomen.

In een feestvierende bus terug richting Breda sprak ik hem nog even aan. “Wat heb je vrijdag in God’s naam uitgevreten? Je was helemaal kapot man, zo ken ik je niet.” “Nou, ik was in Rotterdam geweest….en dat feestje liep zo’n beetje door tot gisterenmiddag drie uur”, was zijn alles verklarende antwoord, natuurlijk voorzien van een smalende glimlach. “Maar ik was vandaag toch weer belangrijk?”

En dat was hij op die eerste december in het verre Lichtenvoorde en dat bleef hij sindsdien. Hij groeide en groeide, weer naar de vorm die bij hem hoort. Het fenomeen. Onnavolgbaar soms, oersterk in de duels, een genot om daarvan ooggetuige te zijn, steeds weer. De dribbels, de traptechniek, het sluwe gebruik van zijn krachtige torso. En ook nog eens een kind van de club. Wat willen we, in God’s naam, nu nog meer?

BREDA UNITED

“Onze club NAC Breda wordt al enige tijd verkwanseld”, schreef een goede vriend op LinkedIn, na weer een hopeloos resultaat, 0-0 uit bij Helmond Sport. In die tamelijk korte zin heeft haast ieder woord onnoemelijk veel en ver dragende betekenis. “Onze club” gekoppeld aan de plaatsnaam “Breda”: het zegt alles over ‘verbondenheid met’. Met de club, met de stad. Het “verkwanselen” van een club doet weliswaar wat naïef aan, of dat het geen big business betreft. Het voetbal is al heel lang bijzaak; het uitverkocht stadion, de hoogste bieromzet van voetballend Nederland, kortom: het ‘Avondje NAC’ werd al tientallen jaren geleden door een voorzitter uitgeroepen tot ‘core business’ van de BV NAC.  Of dat er anno 2020 nog iets zou bestaan als clubcultuur. Even weer iets terug in betreffende zin: “enige tijd” is ietwat eufemistisch uitgedrukt.

NAC Breda worstelt al decennialang met identiteit. Ooit was het de club van ‘toffe jongens’, spelend in de kleinschaligheid en authenticiteit aan de Beatrixstraat, omarmd door woningen, bijna in het hart van de stad, waren het ook voornamelijk Bredase voetballers, of jongens die afkomstig waren uit het achterland van Breda, die de harten deden bekoren of werden uitscholden voor rotte vis vanaf de Spion Kop en B-Side. Maar er is geen talent meer in de stad, nog in de regio, die zich uitstrekt tot ver in Zeeland. Tenminste, klaarblijkelijk volgens de deskundigen. Alles wat van ver komt, is ook bij NAC Breda beter. Die vaderlandse trend is Breda niet voorbij gereisd. Okay, NAC Breda blijft uniek, als Eerste Divisionist met steeds een uitverkocht stadion. Maar weliswaar met een periodetitel op zak, is inmiddels ook de kans op directe promotie min of meer ‘verkwanseld’.

Voetballend Breda is zoveel meer dan NAC alleen. Alleen de twee grootste amateurvoetbalverenigingen van de stad, JEKA en Baronie, hebben tezamen al ruim 3.000 leden, waarvan meer dan 2.000 jeugdspelers. Een unieke pool van talent, zou ik zo denken. Zowel pure JEKA- als wel Baronie-aanhangers behoren tot de meest fanatieke NAC-supporters. Wanneer we eindelijk eens over een lange termijn na durven te denken, over vergaande samenwerking ook, hoeft topvoetbal in Breda geen utopie te zijn. Met het behoud van eigen clubculturen kunnen de afzonderlijke verenigingen ook gewoon blijven bestaan, spelend in de eigen omgeving. Een driehoeksverhouding zie ik bovenal wel zitten. Breda United!

PX IS DE REDDING VAN DE SOORTNAAM ´SHERRY´

Heel ver achterin in een van de koelingen stond nog een fles. Misschien al twee jaar eerder geopend, leek het me geen goed idee deze nog te schenken aan een oudere dame. Het zal in 2009 of 2010 geweest zijn, in een tijd dat mijn horecagelegenheid nog op volle toeren liep. De oudere dame had graag een droge sherry gewild, als aperitief voorafgaand aan de maaltijd. Ik trok de dop van de fles en rook. Een sterk azijnachtig aroma drong mijn neusgaten binnen. Op mijn vriendelijkst deelde ik het omaatje mee dat ik helaas geen sherry in huis had.

Zo eens in de twee jaar vroeg men er nog naar. Naar sherry, droog, extra dry of medium. Maar voornamelijk bleef zo´n fles jarenlang in een donker hoekje, ver uit het zicht, achter in het koelapparaat staan. Om na die jaren door de gootsteen gemieterd te worden. Sherry was en is uit, teloorgegaan aan het imago van een ‘oude-dametjes-drank’. Sherry vierde hoogtijdagen in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen zelfs een zogenaamde Sherry-kuur in trek was, vooral bij huisvrouwen die alles probeerden om een pondje kwijt te raken. De gedachte moet zijn geweest dat deze vrouwen na een aantal dagelijkse glazen van de versterkte wijn voor een groot deel de eetlust zouden verliezen. Daar het favoriete tijdstip voor het glaasje Sherry een uurtje voor etenstijd lag, op het moment dat de doorsnee Nederlandse vrouw achter het fornuis plaatsnam om voor manlief weer een voedzame maaltijd te bereiden, zal dit gebruik menige echtelijke ruzie en zelfs echtscheidingen hebben opgeleverd. Het bleef namelijk niet bij een of twee glaasjes, aardappels en groenten verpieterden en het bijbehorende lapje vlees werd vanaf toen steevast voorzien van een weliswaar krokante maar ook zwartgeblakerde buitenkant. De Jellinek-klinieken voeren er wel bij, bij al die vermagerde vrouwen die weliswaar niet veel meer aten maar daarentegen doorsloegen in hun Sherry-therapie.

Maar de redding is gekomen voor Sherry, de Engelse verbastering van de plaatsnaam Jerez. We praten dan over de stad en het gelijknamig gebiedje met de naam Jerez de la Frontera, gelegen in het zuiden van Andalusië. Samen met de aangrenzende gebieden Sanlúcar de Barrameda en El Puerto de Santa Maria is Jerez de la Frontera de enige regio waar Sherry, Jerez of Xeres vandaan komt. De redding is gelegen in de afkorting PX, duidend op het druivenras Pedro Ximénez, een van de drie Sherry-druivenrassen. De andere twee zijn Palomino en Moscatel. In de gastronomie hoor je het steeds vaker: “Doe daar maar een PX’je bij in plaats van een port”, wanneer na de maaltijd het kaasplankje besteld wordt. In de meeste Nederlandse huiskamers en haar eettafels is het nog een nieuw fenomeen, het PX’je. Maar daar werken we hard aan. Bij bijna iedere bestelling die volgt op een proeverij die ik verzorg, zitten wel een of meerdere flesjes PX-sherry. Niet zelden gaat het dan om een hele doos. Ik noem het altijd een ‘dessert-sherry’, met haar zoetheid totaal ongeschikt als aperitief, des temeer fantastisch als alternatief voor port bij de kazen. Speciaal bij blauw geaderde schimmelkazen is ie fenomenaal, zeggen mijn collega’s. Ikzelf, als niet-kaaseter, geef de voorkeur aan de combinatie met chocola. Pure dan welteverstaan. Het bittere van chocola met een cacao-percentage van ten minste 70% gecombineerd met de zoetheid van de sherry brengt het totaal in ultieme balans.Maar let wel, dames die met weemoed terugdenken aan de jaren zeventig en tachtig: de PX, met een restsuikergehalte van zo’n 200 gram per liter, is verre van geschikt voor een sherry-kuur.

Lou’s No. 1 Choise

Ik ben geen uitgesproken fan van wijnen uit de zogenaamde Nieuwe Wereld. In de begintijd dat wijnen uit met name Chili, Argentinie, Zuid-Afrika en Australie een opmars maakten, zaten er zeker juweeltjes tussen. Naarmate de populariteit toenam van deze min of meer exotische wijnen – we waren de Oude Wereld gewend, dus wijnen uit de traditionele Europese wijnlanden – verscheen er veel te veel ‘bulk’ op de markt. En dat gaat altijd ten koste van de gemiddelde kwaliteit.

Overproductie en gemakzucht – die consumenten in West-Europa zuipen toch alles wat uit Chili komt was zeg maar de gedachte – zijn voornamelijk de oorzaken van dit verschijnsel. Wanneer iets nieuws populair wordt vanuit een bepaald gebied zullen wijnproducenten uit diezelfde regio alles op alles zetten een graantje mee te pikken van het momentum. Het meest voor de hand liggend voorbeeld van dit fenomeen in wijnland is wel de opkomst en ondergang van de Beaujolais Primeur. In het wijngebied Beaujolais waar het fraaie rode ras Gamay koning is, kwam ooit een wijnboer op het idee, waarschijnlijk nadat hij moest concluderen dat zijn zojuist geoogste wijn het niet waard was zich te ontwikkelen al was het maar voor een aantal maanden, dat waarschijnlijk ook niet aankon, langer dan het moment aangaf, zijn product zonder enige rust maar meteen te bottelen. Het resultaat was een op de eerste plaats gemakkelijke wijn, fris en extreem fruitig, bijna nog gistend, die ook heel goed, eigenlijk bij voorkeur gekoeld gedronken kon worden. En daarmee was de Beaujolais Primeur geboren. Onder dezelfde naam Beaujolais Primeur werd dat type wijn een hype en er was nauwelijks een wijnboer in de Beaujolais die de verleiding kon weerstaan een poging te doen iets dergelijks te produceren. Overproductie was het gevolg en daarmee ook de teloorgang van de kwaliteit en de populariteit van het product. Niemand drinkt meer Beaujolais Primeur en de wijnregio Beaujolais heeft zelfs te lijden onder de associatie met die ‘Primeur’.

Maar we hadden het over de Nieuwe Wereld. Ik had het eerder moeten doen, maar ik heb zojuist pas de fles Australische wijn opengemaakt en geproefd die ik eerder dronk met mijn vader zo’n vijf jaar geleden. Pa was haast in extase geweest. Nu is de Lou’s No. 1 Choise van 2011 uit Barossa Valley nog steeds een diamant, al lees ik terwijl ik drink dat ik het goedje eigenlijk drie jaar eerder tot me had moeten nemen. Mijn beleving is echter een andere: nog steeds prima te drinken deze superwijn van 100 % Cabernet Sauvignon, ooit ingevlogen vanuit de Oude Wereld. Een wijn die destijds ook niet voor niets verkocht werd. Namelijk voor 54 eurootjes de fles.

De Boom

Hij staat er nog, dat scharminkel. Nog een week of wat en dan bellen de kinderen in de buurt aan of ze hem mee kunnen nemen. Met graagte wordt dan het armetierige geval vanaf het balkon naar beneden gemikt. Blije gezichtjes binden hem met een touw dan vast aan enkele eerder buitgemaakte trofeeën der troosteloosheid. De jeugd zal de sliert van onmiskenbare vergankelijkheid achter zich aan slepen door de straten richting een ceremoniële crematie. Een vreugdevuur waarin de demonen, die meer dan een maand lang huiskamers hebben geteisterd, eindelijk definitief het loodje leggen.

Nu staat het er nog. Ooit min of meer groen, de takken schraal en armetierig, hangend alsof een collectieve depressiviteit van het ergste soort ook bezit heeft genomen van het plantenrijk. De enkele naald die nog demonstratief aan een twijg is blijven hangen, is vaal en doet denken aan die ene bewoner van een te saneren achterstandswijk die weigert te verkassen terwijl de bulldozers de straat al zijn ingereden. De piek had zijn rechtopstaande positie al na een enkele dag opgegeven en wijst in horizontale richting, in mijn opinie niet eens naar het oosten. Resten van scherven vormen op de vloer nog glinsteringen van hoop, de ballen die wel zijn blijven hangen voelen zich zichtbaar eenzaam en meerderen van hen hebben schade opgelopen maar hebben de volledige teloorgang getrotseerd bij gebrek aan beter.

Maar kijk het liefst niet onder het wanstaltige gevaarte dat ooit op een feestelijke boom had moeten lijken. Want daar onder dat kale skelet van dood organisch materiaal bevindt zich wel het meest armetierigs wat je uit een opberghok kan opduiken. Wat ooit een kerststal moest voorstellen, ook toen was enig verbeeldingsvermogen al noodzakelijk om het te onderscheiden van een door verstandelijk gehandicapten bij houtbewerking in elkaar geflanst en logischerwijs volledig mislukt vogelhuisje, is nu helemaal gereduceerd tot een kleine verzameling van wankele triplex plankjes die moeizaam tegen elkaar leunen. Een ferme voetstap doet het hele geval weer in elkaar storten en het kost telkens weer minimaal een kwartier om de delen zo tegen elkaar te plaatsen dat het geheel weer voor even blijft staan. Nee, dan de inhoud van die zogenaamde stal. Wonderbaarlijk is wel dat het kindeke de jaren voor het grootste deel heeft overleefd, al mist hij zowel een armpje en een been. De kribbe is ooit zoekgeraakt, dus ligt dat arme kind kaal in het stro, dat jaar na jaar wordt ververst uit een baal die overgebleven is uit de tijd dat de familie nog eigenaar was van een huisdier in de vorm van een inmiddels overleden gehavend konijn met hazenlip. Maria was er nooit geweest; Jozef staat er als alleenstaande vader ook dit jaar weer alleen voor. Slechts een enkele wijze heeft de weg naar het westen gevonden en al de dieren zoals beschreven blinken uit door afwezigheid. Hun plaatsen zijn hier en daar aangevuld met plastic dieren uit een of ander setje van de kinderen, waarbij er volledig voorbijgegaan is aan verhoudingen. Het roze varkentje is groter dan die ene wijze. Maar dat vinden de kinderen niet erg. Nee, de kinderen vinden het niet erg. Maar ja, die kinderen, die bloedjes, hebben er ook geen erg in dat het kerstfeest van oorsprong niet gaat om wie zich na twee weken tijd kan uitroepen tot de meest misselijke draak van het gezelschap.

Ondertussen getuigt een donkere vlek op de verder nog witte muur van het bezoek van een dronken oom die in zijn motorische gestoordheid het glas niet in bedwang kon houden. De vettige, ranzige lucht van de gourmet – o zo gezellig – knijpt nog steeds de adem dicht en de vetvlekken tegen de keukenwand, producten van een niet heel kundig persoon die het frituur-gedeelte voor zijn rekening nam, zullen er volgend jaar nog steeds zitten. Wat een feest!              

Pré-Oudejaarsavond

De stilte in de stad is haast hoorbaar. Al vroeg in de avond zijn de gordijnen dicht, de lichten uit in de straten, in de wijken. Morgen nog een enkele dag in 2019. De gedachte aan de lange dag die morgen wacht, die voor sommigen pas zal eindigen wanneer het weer bijna licht wordt in het nieuwe jaar, maakt dat mensen gaan voorslapen. Om morgen zo fit als mogelijk een einde aan het oude jaar te kunnen breien.

Het zijn dergelijke stille avonden waarvan ik hou. De serene stilte en de overpeinzingen over wat geweest is, brengen melancholie en hoop voor de toekomst samen. Het zijn momenten die ieder jaar weer breekpunten vormen tussen het verleden en de nabije toekomst, tussen gemiste kansen in het jaar dat te snel voorbijging en mogelijkheden die voor het grijpen liggen in de twaalf maanden die gaan komen, om dan precies over 365 dagen weer te mijmeren over het gemiste.

Aldus sukkelt de mens voort. Door periodes waarin alles moeizaam lijkt te gaan, maar ook door fasen waarin alles eenvoudig komt. “Alles goed?” is tegenwoordig de te stellen vraag wanneer je iemand weer tegenkomt. Mijn steevaste antwoord: “Nou, alles is wel heel veel hè.”

HOLY FUCKING CHRISTMAS

Wanneer ik dit begin te schrijven, ben ik op kerstavond nog een uurtje verwijderd van de bedgang. Heb alleen het voorgerecht, weliswaar in vergrote vorm, tot me genomen en de hertenbiefstukjes maar in de vriezer geflikkerd. Zoonlief kwam namelijk na zijn werk toch niet thuis. En dat begrijp ik, want op zijn leeftijd verkoos ik ook altijd het ‘begaaien’ boven het familieleven (en dan had ik nog een heel stabiele jeugd). Overigens smaakte mij de rivierkreeftjes icm gerookte zalm op een bedje van botersla, gelardeerd met wat eigenzinnige whiskycocktailsaus, uitstekend hoor. Half flesje bubbels erbij.

Okay, we zijn op weg. Nog een dag of twee en dan hebben we het weer overleefd. Via WhatsApp nodigde mijn beste vriend me uit om op een na-borrel te komen bij zijn familie, morgen op Eerste Kerstdag. Prima, ik hoop dat het dan laat wordt. Dat ik dan niet na afloop van die borrel blijf zwerven in het onbestemde. Maar eerst moet ik op die geboortedag van JC de Eerste – voor de Tweede was ik altijd paraat geweest – bij mijn zuster op de brunch. En dit klinkt helemaal verkeerd, dat ‘moeten’. Want juist mijn zus, van wie ik zielsveel houd, doet steeds weer haar stinkende best er iets leuks van te maken met de familie, het gezin. Want dat wordt toch van de mensheid verwacht met Kerstmis.

Ik ben natuurlijk het probleemgeval. Met de foute vrouw getrouwd ooit, zoveel is voor mij ook wel duidelijk, daarmee in de verkeerde onderneming en branche gestapt. Ook dat is waar. Nog steeds een mens zal ik morgen contact houden met mijn zoon, het liefste wat ik ooit had, en vragen waar ik hem moet ophalen. Om te gaan brunchen met de familie. Zoals het hoort. En waarom eigenlijk niet? Laten we toch samen zijn met de mensen waarmee we een bloedband hebben, hoe verschillend we ook zijn. Wat kost dat nou? Ik spreek een hulde uit aan mijn zusje, die dat altijd weer voor elkaar bokst. Een vette zoen voor Babs!

Overpeinzing

Daar zit hij dan, de Baron, een Baron zoals er velen zijn. Voorlopig verstoken van voetbal overdenkt hij op kerstavond het bewogen jaar dat bijna achter ons ligt. Hij laat de ellende natuurlijk ook voor even passeren. Maar herinnert zich toch vooral wonderschone doelpunten, fraaie en zwaarbevochten overwinningen en dolblije kinderen, o zo apetrots, die als pupillen van de week de eerste goal van de zondag mochten maken.

Zijn gedachte gaat uit naar die bloedhete woensdagmiddag toen een paar honderd meisjes en jongens zich uit de naad liepen om geld te genereren voor hun cluppie. Naar moeizame vergaderingen, maar ook naar uitermate vruchtbare bijeenkomsten. Naar soms hoogoplopende meningsverschillen, maar ook naar de eensgezindheid om van de vereniging weer een mooi bolwerk te maken.

Naar een toenemende pool van mensen die iets willen doen, naar die ouders die er altijd zijn. Maar ook naar die ouders die te vaak verstek laten gaan. Naar die kantinebeheerder die nieuw leven in de sfeer blijft pompen en naar die terreinmeester die al zo´n zestig jaar lid is, alles heeft meegemaakt, maar het nog steeds fijn vindt dat hij zijn tijd kan besteden aan zijn club. Naar die dames van het wedstrijdsecretariaat die in een piepkleine behuizing altijd hun werk naar behoren deden en nu ook verheugd zijn met een nieuw, zij het onorthodox onderkomen. Naar die ondernemer pur sang die vrij nam om de bewuste pipowagen naar achteren te rijden.

Naar die interim-penningmeester, wanneer naar iemand, ja dan gaat zijn gedachte uit naar hem en zijn familie. Hij die zonder enige historische band met de vereniging wilde helpen, getroffen werd door het ergste wat een vader kan overkomen, maar desondanks de club voorzag van een financieel plaatje waarmee we verder kunnen.

Naar die supporter, de fanatiekste van allen, die een ernstige ziekte overwon en weer met vertrouwen naar de toekomst kijkt. Ook naar die van de club. Naar de vrouwenafdeling die toch altijd weer voor extra cachet zorgt binnen de vereniging. Naar die seniorenleden die altijd bereid zijn zich ergens voor in te zetten, tegelijkertijd ook naar die senioren die wel eens een stapje extra mogen doen en niet moeten vergeten dat het een club vóór maar ook ván iedereen is.

Uiteindelijk gaat zijn gedachte uit naar het nieuwe jaar waarin het al ingezette herstel een vervolg zal moeten krijgen. Waarbij iedereen betrokken zal worden en waarbij ook iedereen nodig zal zijn om de ‘remontada’ van Baronie ook daadwerkelijk te realiseren.

Hele fijne dagen en schroom niet om ook te ‘overpeinzen’.

De eeuwige Bredanaar

Ja, het is zijn stad. Alles bij elkaar heeft hij wellicht twee jaar elders gewoond. Slechts heel even had hij ooit met de gedachte gespeeld haar te verlaten. Dat hij na de studie zou gaan resideren ergens in de Randstad waar zijn werkveld misschien meer mogelijkheden zou bieden. Maar hij had er al snel in het geheel niets voor gevoeld, om zelfs voor een kansrijke carrière te gaan verkassen. Nee, het bourgondische, de sociale makkelijke contacten, hoe oppervlakkig soms ook, deed hem doen plakken aan het eigene, het alom bekende. Het opbouwen van een geheel nieuw leven in ook een geheel andere omgeving had voor hem altijd iets onnatuurlijks gehad.

Dat hij in zijn leven soms moet reizen en vaak moet rijden, daar heeft hij weinig problemen mee. Een aantal dagen buiten zijn stad vertoeven, bevalt hem prima, dat is een uitje, een welkom intermezzo in het leven binnen de natuurlijke habitat. Een min of meer zakelijk wijnreisje naar de Nahe in Duitsland of naar het Spaanse La Mancha, hij geniet ervan. Reizen is dan ook geen enkel probleem. Ook van vakanties, het liefst niet langer dan een week aaneen, kan hij ten volste genieten. In alle gevallen gaat het er om dat hij na een bepaalde, overzichtelijke tijd weer kan aanrijden richting zijn stenen liefde, ook al heeft die hem per saldo weinig opgeleverd in al die jaren. Wanneer dan op zo’n tien kilometer die gotische toren, onderdeel van de mooiste kerk van het land, zichtbaar wordt, gaat er een jubelgevoel door hem heen. Trots op zijn stad, fier op het gegeven dat hij geboren en getogen is in het centrum van Europa, zoals hij wel eens gekscherend zegt tegen wie het wel of niet wil horen. Immers, zo luidt zijn theorie hieromtrent, zijn stad is slechts een uurtje verwijderd van Amsterdam, een half uur van Rotterdam, drie kwartier van Utrecht, dertig minuten van Antwerpen en een uur van Brussel. Parijs? Binnen drieënhalf uur is de lichtstad met de auto bereikbaar. In een kleine zeven uur kan je ook in Berlijn zijn zonder gebruik te maken van een vliegtuig. In ogenschouw nemend dat Rotterdam de poort van Europa vormt, ligt Breda dus in het hart van het continent Europa, van West-Europa dan toch. Dat West-Europa zich ook uitstrekt richting het zuiden tot en met Andalusië en de Straat van Gibraltar vindt hij minder relevant.

Maar zijn stad is ook een dorp. En ook om die reden houdt hij van haar. Het is ‘ons kent ons’ in de binnenstad. Hij is inmiddels de vijftig gepasseerd, heeft vanaf zijn zestiende op regelmatige basis de bruine kroegen opgezocht, heeft zelf een horecazaak gehad en is voor velen die zich net als hem graag ophouden in de plaatselijke lokalen geen vreemde. In vergelijking met Rotterdam waar hij in alle uithoeken wel is geweest voor het verzorgen van wijnproeverijen bij de mensen thuis, is zijn stad voor hem een oase van overzichtelijkheid. Niet te groot, dorps zoals gezegd, maar wel voorzien van de faciliteiten die een grotere gemeenschap kan bieden. Het kost hem slechts vijf minuten om vanuit zijn huurappartementje het grote marktplein te voet te bereiken. Hij kan dan kiezen uit de aller kortste route die hem door zijn eigen afzichtelijke wijkje vol schraal aandoende appartementengebouwen leidt richting wat hij noemt het ‘stinkstraatje’. Daar waar de zogenaamde feestcafés en slechte eetgelegenheden zich bevinden, puur gericht op de jongste uitgaansgerechtigde jeugd, waar het altijd riekt naar pis, stront, opengescheurde vuilniszakken en overgeefsel van de nacht die voorbij is gegaan.

Hij geeft doorgaans logischerwijs de voorkeur aan de omweg. Via de straat die vanuit de oorsprong het dorp Princenhage verbond met de stad, kiest hij dan zijn weg. Die smalle straat, meanderend vanaf de stadsingels, laat het werkelijke leven zien. De seksshops, de eettentjes, die als paddenstoelen opduiken maar zelden langer dan een aantal jaren overleven, hier en daar een echt innoverende kleine ondernemer die wanneer hij groter wordt en het zich kan permitteren zal verkassen, een dozijn aan kapsalons die volgens velen dienstdoen als witwasserij – en dan praten we niet over waterstofperoxide of coupe soleil. Maar ook enkele entrepreneurs die onder dezelfde naam al meer dan een eeuw een begrip zijn in de mooiste, in ieder geval de leukste, stad van het land, en voor altijd verbonden blijven aan de straat.

“Breda, de klokken luiden, gij zijt en blijft de Parel van ’t Zuiden”, zo luidt een regel uit het refrein van het (onofficieel) volkslied van de stad Breda. “Te midden van de paarse heide, waar samen komen Mark en Aa,” zo begint het. Tja, voor de niet-Bredanaars onder de lezers: leer het kennen, ga de sleutel van de stad ontdekken, in de omgeving, het Markdal of het Mastbos, de polders rondom Prinsenbeek. Maar vooral in het historische centrum. Grote Kerk, Spanjaardsgat, Kasteel van Breda, Begijnhof, ga zo verder. En daarna een prachtig glas bier van eigen brouwsel of een heel mooi glas wijn. De kans is aanwezig dat jij hem tegenkomt. 

Het riddertje

We maken er onderling wel eens een grapje over, collega’s onder elkaar. Wel eens? Nou, iedere week moet die ene fles uit Zuidoost Frankrijk er minimaal wel een keer aan geloven. Dan wordt ie weer onderuitgehaald als zijnde bocht van het ergste soort. Liefhebbers van de betreffende wijn worden afgeschilderd als dwazen, zonder smaak, naïef en ga zo verder.

Ondertussen blijven wij die wijn verkopen, bij de vleet. Of eigenlijk: die wijn verkoopt zichzelf. Want overal zijn namelijk liefhebbers voor. “O, heb je die heerlijke zachte wijn nog,” hoor ik een klant vragen aan de andere kant van de lijn. “Maar natuurlijk meneer Van Vleuten. U bedoelt toch die wijn met dat riddertje op het etiket?” Weer een nieuw oogstjaar, weer net een nuanceverschil in het mondgevoel, het suikergehalte en alcoholpercentage, dat al decennia schommelt tussen de 11, 11,5 en 12 %.

Er zijn liefhebbers bij die zomaar een vijftal jaren van diezelfde wijn uit de eigen kelder kunnen toveren. Zij, de adepten van dat rode goddelijke druivenvocht, een blend van diverse druivenrassen, die vooral bekendheid genieten in de regio zelf, vergelijken, vinden het ene jaar toch wat minder dan het andere en proberen in zo’n geval voor even iets anders. Om dan een volgende keer steevast terug te keren naar de wijn met dat riddertje. We lachen erom, we blijven erom lachen, ondertussen juist die klanten die betreffende wijn zo aangenaam vinden, koesterend.

Het lachen zal ons wel vergaan, wanneer de eeuwige voorraad van het goedje toch eens op zal raken of wanneer het Duitse familiebedrijf dat verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en houden van deze rode wijn met de zo herkenbare vriendelijke afdronk zal stoppen met de productie ervan. O, wat zullen wij met weemoed terugdenken aan de jaren dat we, zonder veel inspanning, op een middag een paar honderd flessen van dat goedje aan de man konden brengen.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag