Natuurlijk ben ik niet objectief. Maar, ik moet wel toegeven, in de eerste wedstrijden van dit lopende seizoen, beginnend in de voorbereidende oefenduels, speelde hij ook niet goed, het fenomeen. Criticasters naast mij op de tribune wilde ik de mond snoeren wanneer zij hun klaagzang weer begonnen met geluiden als ´hij raakt vandaag weer geen pepernoot´, ´hij speelt als een krant´ en ´hij leeft er niet voor´. Maar ik hield mijn mond maar, zoveel als mogelijk, wetende dat klasse altijd boven komt drijven. Het liefst wilde ik op die momenten heel ver weg gaan zitten van hen die het vertrouwen in het fenomeen verloren leken te hebben.
En het duurde ook even, lang bleef zijn prestatiecurve een rare op en neer gaande lijn vertonen, vijfjes met zevens afwisselend, maar na zo´n tien duels in de competitie kwam hij echt ´los´. Op een tamelijk vroege zondagochtend haalde ik hem op bij de brug. Hemelsbreed zijn onze woningen een paar honderd meter van elkaar verwijderd in het centrum van Breda en het is voor mij geen enkele moeite even te stoppen bij de brug, meer het ´bruggetje´, dat Haagdijk verbindt met de Tolbrugstraat. Hij vond het wel prettig om zich niet door de kou richting Blauwe Kei te moeten begeven op deze eerste dag van december. Na een paar minuten zag ik zijn sjokkende gestalte, voetbaltas op de rug, in zijn hand natuurlijk een voortdurend actief mobieltje, naderbij komen. Zoals altijd lachte hij en was de begroeting hartelijk. “Hoe was je weekend?”, vroeg hij. “Redelijk rustig”, antwoordde ik. Ikzelf was meer benieuwd naar zijn reilen en zeilen, zijn jeugdige liefde voor het uitgaansleven kennend. “Gisteren heel rustig aan gedaan. Maar vrijdag was wel heftig”. Ik ging er verder niet op in.
Een lange reis richting Lichtenvoorde in de Achterhoek volgde. Het ontvangende Longa ’30 bleek al snel een maatje te klein en zonder heel veel moeite werd een 0-3 zege binnen gehengeld. Daar waar het fenomeen altijd negentig minuten vol gas gaf, in topvorm of niet, zag ik hem deze middag doseren. Hij liep niet meer op elke bal en was een kwartier voor tijd helemaal uitgeblust. De statistieken na afloop logen er echter niet om. Hij had tweemaal gescoord en had de assist bij de derde goal voor zijn rekening genomen.
In een feestvierende bus terug richting Breda sprak ik hem nog even aan. “Wat heb je vrijdag in God’s naam uitgevreten? Je was helemaal kapot man, zo ken ik je niet.” “Nou, ik was in Rotterdam geweest….en dat feestje liep zo’n beetje door tot gisterenmiddag drie uur”, was zijn alles verklarende antwoord, natuurlijk voorzien van een smalende glimlach. “Maar ik was vandaag toch weer belangrijk?”
En dat was hij op die eerste december in het verre Lichtenvoorde en dat bleef hij sindsdien. Hij groeide en groeide, weer naar de vorm die bij hem hoort. Het fenomeen. Onnavolgbaar soms, oersterk in de duels, een genot om daarvan ooggetuige te zijn, steeds weer. De dribbels, de traptechniek, het sluwe gebruik van zijn krachtige torso. En ook nog eens een kind van de club. Wat willen we, in God’s naam, nu nog meer?